AfricaMuseum, Tervuren (BE)

VMRG leden
Zuid-Nederlandse Ramenfabriek BV
VMRG partners
Kloeckner Metals ODS Nederland/Jansen
Opdrachtgever
Regie der Gebouwen
Architect
Stéphane Beel Architects
Aannemer
Denys
Opleverdatum
Mei 2019
Provincie
Buitenland
Fotograaf
Luca Beel - Toon Grobet
Projectbeheerder
Kloeckner Metals ODS Nederland/Jansen

Over het project

Enkele maanden na de officiële heropening draait het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika opnieuw op volle toeren. Voor ODS Jansen en Infosteel was het museum in Tervuren dan ook de uitgelezen locatie voor een boeiende Architectendag. Zowel in het statige, neoklassieke AfricaMuseum als in het gloednieuwe ontvangstpaviljoen heeft staal immers een grote rol van betekenis gespeeld.

 

Architecten en andere genodigden werden eerst getrakteerd op een gegidst bezoek door het museum. Het slanke, stalen schrijnwerk dat in het oude en nieuwe gebouw werd toegepast, eiste daarbij uiteraard heel wat aandacht op. Nadien was het verzamelen  in het knappe, ondergrondse auditorium van het nieuwe ontvangstpaviljoen. Daar deed architect Stéphane Beel (Stéphane Beel Architects) zijn verhaal over dit werk van lange adem – tussen ontwerpwedstrijd en oplevering zijn immers zo’n 12 jaar verstreken. Hij lichtte toe hoe het vernieuwde museum omgaat met het gevoelige koloniale verleden, door er afstand van te nemen zonder het evenwel te negeren. Meer over het ontwerp van het AfricaMuseum lees je hier. Cruciaal in de renovatie van het AfricaMuseum is natuurlijk het nieuwe, transparante ontvangstpaviljoen, waarin secundaire functies zoals het restaurant en de museumshop zijn ondergebracht. “Dit paviljoen is uitgelijnd met de voorgevel van het museumgebouw. We wilden op deze zwaar beladen locatie het klassieke museumgebouw een partner geven met voldoende gewicht, zodat ze een dialoog met elkaar konden aangaan. Daarbij hebben we bewust niet teveel eenheid nagestreefd", zegt Beel. 

 

Weggedetailleerde staalstructuur

Nadien gaf ook Ron Jacobs, salesmanager bij ODS Jansen, toelichting bij het project én de visie van het bedrijf. Hij loofde de tegenstelling tussen het oude en het nieuwe gebouw. “Eigenlijk waren het twee totaal verschillende opdrachten. Het ontvangstpaviljoen was een heuse uitdaging, omdat de staalstructuur tot in de puntjes is weggedetailleerd. We werden in die mate uitgedaagd om ons eigen werk weg te denken. Het eindresultaat, is een gebouw dat minstens 100 jaar lang mee kan gaan. Daarin zit de kracht van staal.” De slanke staalstructuur van het ontvangstpaviljoen kwam eerder al aan bod in het magazine Infosteel. De draagstructuur is onttrokken aan de beglaasde gevelvlakken en is opgevat als een serie van portaalframes met vloervelden van 9,9 meter. “De draagstructuur is hoofdzakelijk opgebouwd uit HEB- en HEM-liggers van de zwaardere soort (400 tot 700). Voorts omvat hij ook een reeks HD-liggers, enkele uit plaat samengestelde kolommen, staalplaatbetonvloeren, hoekstaal voor de oplegging van vloeren en standaardkokers. Het gaat telkens om brandwerend wit geschilderd S355-staal”, vertelt Ronny Loos, commercieel directeur bij CSM. CSM leverde en monteerde niet alleen het staalskelet van het onthaalpaviljoen, maar ook de stalen onderdelen in het bestaande museumgebouw (stalen vloeren, liftschacht) en de verdiepte binnenkoer van het museum.

 

Complexe samenstellingen van staal

Jacobs: “We hebben meegezocht naar een optimale oplossing voor de transparante buitengevels van het ontvangstgebouw – in functie van een maximale daglichttoetreding en een optimale incorporatie van de omgeving. Voorts moest Zuid-Nederlandse Ramenfabriek een opvallend schuifraam integreren in de vliesgevel, dat als het ware lijkt te zweven. In het museumgebouw plaatste Lootens-Line enkele brede en hoge deuren (5 à 7 meter), maatwerkprofielen (door middel van laserlassen) en Janisol Primo-ramen met gelaserlaste vin (ter hoogte van de patio). Hiervoor is telkens S235-staal gebruikt, dat gestraald, gemetalliseerd en gepoedercoat is. Een leuke extra was dat we van de bouwheer en de aannemer toelating kregen om de werf te bezoeken met studenten van verschillende universiteiten, zodat we de mogelijkheden en complexere samenstellingen van staal konden promoten.”