VMRG Kwaliteitseisen en adviezen

Dé basis voor het VMRG Keurmerk. Alle bedrijven met VMRG Keurmerk worden op deze hoge eisen gekeurd. Schrijf het VMRG Keurmerk voor in uw bestek, dan bent u verzekerd van een kwaliteitsgevel.

Filter

Selecteer
Hoofdstuk/Paragraaf

Kwaliteitseisen en Adviezen 2020

1 Inleiding

1.1 Inleiding

Welkom op het onderdeel VMRG Kwaliteitseisen en Adviezen. In dit onderdeel staan de eisen beschreven waaraan de bij de VMRG aangesloten opdrachtnemers, de VMRG gevelbouwers, moeten voldoen.

De eisen die door de VMRG gesteld worden boven de door de wetgever gestelde minimum eisen zijn op een grijze achtergrond afgedrukt en worden VMRG eisen genoemd.

In de tekst zijn passages opgenomen die alleen van toepassing zijn op hoogbouw. Dit wordt aangegeven middels het volgende icoon:

1.1 Hoogbouw.jpg

De VMRG geeft hier de stand van zaken omtrent de actuele gevelbouw weer. De doelgroep voor de VMRG Kwaliteitseisen en Adviezen® bestaat uit o.a. opdrachtgevers, architecten, aannemers, onderwijsinstellingen, toeleveranciers, applicateurs en VMRG gevelbouwers.

1.2 Vakbekwaamheid

VMRG gevelelementen voldoen aan zowel de prestatienormen van het Bouwbesluit als aan de eisen genoemd in de VMRG Kwaliteitseisen en Adviezen® zoals deze drie maanden voor de dag van overeenkomst luiden, tenzij partijen schriftelijk een andere datum afspreken.

VMRG gevelelementen worden geleverd onder de VMRG Garantie- en Aansprakelijkheidsregeling, tenzij partijen schriftelijk anders overeenkomen.

De VMRG verzorgt vakgerichte opleidingen voor (de medewerkers van) de VMRG gevelbouwers teneinde kennis en vakmanschap op het gewenste niveau te brengen, c.q. te houden.

Constructeurs, tekenaars én binnen- en buitenmonteurs worden geschoold om hun taak op een verantwoorde wijze te kunnen verrichten. De VMRG ziet toe op de handhaving van het vakmanschapniveau van de VMRG gevelbouwers en op de naleving van de eisen van de VMRG Kwaliteitseisen en Adviezen®.

Als bewijs dat het werk van een VMRG gevelbouwer voldoet aan de eisen gesteld in de VMRG Kwaliteitseisen en Adviezen®, kunnen VMRG gevelelementen voorzien worden van een VMRG Keurmerksticker.

VMRG gevelelementen worden geleverd onder VMRG Keurmerk®.

De productie van de VMRG gevelbouwer staat derhalve onder geregelde controle van SKG-IKOB in Geldermalsen.

1.2 SKG-IKOB-logo_RGB-groot.jpg

Op www.vmrg.nl is vermeld welke zaken door welke VMRG gevelbouwers geleverd kunnen worden.

Uitsluitend indien schriftelijk overeengekomen tussen opdrachtgever en VMRG gevelbouwer mag een VMRG gevelbouwer andere leveringen verrichten dan VMRG gevelelementen

1.3 VMRG gevelelementen

Onder “VMRG gevelelementen” worden verstaan: Kozijnen, ramen, deuren, puien, vliesgevels, lichtdaken en andere constructies, die in hoofdzaak vervaardigd zijn van metalen profielstaven, waarbij de openblijvende vakken worden gevuld met glas, panelen en andere vakvullingen die bedoeld zijn als scheiding tussen ruimtes in het gebouw zelf of als scheiding tussen het interieur van een gebouw en het buitenmilieu (dit is de uitwendige scheidingsconstructie als bedoeld in het Bouwbesluit). Ook kunnen scheidingsconstructies in buiten-buiten situaties hierin zijn inbegrepen. Tenzij anders gespecificeerd, wordt met VMRG gevelelement steeds de uitwendige scheidingsconstructie bedoeld.

1.4 Profieltypen

De in VMRG gevelelementen toegepaste profielen kunnen ­worden onderscheiden in profielen met en zonder thermische onderbreking, ook wel aangeduid als geïsoleerde, respectievelijk ongeïsoleerde profielen. Onder profielen met thermische onderbreking wordt in dit verband verstaan: staafmateriaal van een constante doorsnede, bestaande uit twee (ongeïsoleerde) metalen profielen, die (doorgaans over hun volle lengte) mechanisch verbonden, maar thermisch gescheiden zijn door een isolator (meestal kunststof). 

Naast de mechanische methode die uitgaat van twee profielen, wordt bij geïsoleerde aluminium profielen ook de zogenaamde giethars-methode toegepast, waarbij één profiel over de volle lengte wordt voorzien van giethars.

Daarna wordt dit profiel mechanisch in twee delen gescheiden. Geïsoleerde profielen worden toegepast om het thermisch isolerend vermogen van gevelelementen te verhogen en om condensvorming zo veel mogelijk te vermijden. Het type en de afmetingen van de isolator bepalen mede de isolatiewaarde. Dit heeft tot resultaat dat geïsoleerde profielen aan hoge isolatiewaarden kunnen voldoen.

1.5 Basisvoorwaarden

Daar waar functionele eisen worden gesteld aan VMRG gevelelementen, gelden deze voor alle elementen, ongeacht de soort profielen waaruit deze zijn geconstrueerd. Voor gevelelementen waarin behalve aluminium of staal ook ander materiaal verwerkt wordt (hout, beton enz.) zullen deze functionele eisen alleen gelden voor zover zij logisch toepasbaar zijn op aluminium of stalen delen (bijvoorbeeld de schrankstijfheid van een aluminium of stalen draaideel in een houten kozijn).
Bij hybride combinaties geldt: product en eisen dienen bepaald te worden op basis van welke functie vervuld wordt. Indien de functie wordt vervuld door een aluminium of stalen deel dan dient dit aan de VMRG KE&A te voldoen.

Profielen en platen dienen, voor zover het voor dat materiaal vereist is, opgeslagen en verwerkt te worden in een droge en condensvrije ruimte. 

Bij het hanteren van bruut aluminium zonder handschoenen, kan er plaatselijk extra corrosie en/of lakonthechting ontstaan. Indien aluminium later wordt voorzien van een oppervlaktebehandeling, moet bruut aluminium met geschikte handschoenen worden gehanteerd en opgeslagen en verwerkt worden in een droge ruimte.

Zaag- en boormachines, frees-, stans- en knipgereedschappen dienen scherp te zijn alsmede correct te zijn afgesteld, waardoor beschadigingen voorkomen worden en braamvorming beperkt blijft. Dit geldt ook voor bewerkingseenheden.

Aluminium VMRG gevelelementen dienen geproduceerd te worden in een speciaal daartoe ingerichte werkplaats, waarin geen voor aluminium schadelijke stoffen worden verwerkt.

VMRG gevelelementen dienen, zowel bij in- en extern transport alsmede bij (tussen)opslag, op daartoe geschikte transportmiddelen te worden vervoerd en/of opgeslagen. VMRG gevelelementen moeten afdoende tegen beschadiging en vervuiling worden beschermd. Direct contact van de gevelelementen onderling en/of met wanden en/of met bodem moet worden voorkomen. Een uitzondering wordt gemaakt bij het productieproces waar sandwichpanelen worden gefabriceerd (mits er geen blijvende schade kan ontstaan).

De randaansluitingen van derden moeten voldoen aan de eisen genoemd in deze VMRG Kwaliteitseisen en Adviezen®.

De VMRG gevelbouwer dient te beschikken over een aantoonbaar kwaliteitsborgingsysteem waarbij ook de montage, montagearbeid en het toezicht op de montage opgenomen zijn.

De VMRG gevelbouwer blijft eveneens onverkort verantwoordelijk conform de vigerende VMRG Kwaliteitseisen en Adviezen® bij onderaanneming of uitbesteding.

1.6 Benamingen

Benaming

 

Toelichting

Anodiseren

 

Oppervlaktebehandeling voor aluminium, waarbij langs elektrochemische weg een ­oxydelaag van bepaalde dikte als bescherming wordt gevormd.

As-Built   Zoals gerealiseerd. Een BIM dataset van het gerealiseerde gebouw. Model waarin elementen staan zoals voorgesteld met relevante aanpassingen zoals in het werk gerealiseerd. Het detailniveau/informatieniveau staat niet vast. In de praktijk is dit vaak een (ontwerp)model wat tijdens de bouwfase is bijgewerkt (revisies).  (Bron: Nationaal BIM Handboek) 
Aspectmodel   Model van een aspect van het gebouw. Een aspectmodel is een onderdeel van een discipline. In de praktijk zijn er meerdere aspectmodellen per discipline. Zo kan een constructie model (discipline) uit de aspectmodellen voor fundering en rest bestaan. (Bron: Nationaal BIM Handboek)
BIM   De afkorting ‘BIM’ wordt in de praktijk in drie samenhangende betekenissen gebruikt: 
1. ‘Bouwwerk Informatie Model’: de digitale representatie van de functionele en technische karakteristieken van een bouwwerk, dat uitganspunt is voor en ondersteunend aan activiteiten en besluitvorming in alle fasen van de levenscyclus van het bouwwerk; 
2. ‘Bouwwerk Informatie Modellering’: het proces van het digitaal modelleren van een bouwwerk en (samen-)werken met behulp van digitale bouwwerkmodellen; 
3. ‘Bouwwerk Informatie Management’: de opbouw, het beheer en (her)gebruik van digitale bouwwerkinformatie in de hele levenscyclus van het bouwwerk.    Het begrip ‘BIM’ omvat het geheel van deze drie betekenissen. (Bron: BIR Kenniskaart 0 “Wat is BIM?”) 
 
BIM-bronbestand   IFC databestand gegenereerd uit door onderaannemer vastgestelde software, versie eventueel in overleg met opdrachtgever.
BIM-coördinator  

Persoon die verantwoordelijk is voor het proces- en systeemtechnisch coördineren van het BIM-specifieke aspect van het bouwproces.                            (Bron: BIR Kenniskaart nr. 3 “BIM-rollen en -competenties”)

BIM-extract   Bouwwerkinformatieproduct dat wordt afgeleid of geëxporteerd uit het BIM, c.q. het BIM-bronbestand.
BIM-modelleur   Engineer en/of 3D modelleur binnen het BIM-proces en specialist in het bouwen en uitbreiden van digitale bouwwerkmodellen.                                                 (Bron: BIR Kenniskaart nr. 3 “BIM-rollen en -competenties”) 
BIM-norm   Niet-projectspecifieke eisen die worden gesteld aan de kwaliteit, de ordening en de structuur van de data in een (op te leveren) BIM. VMRG BIM Uitvoeringsplan – Versie 1.0 6 / 27 
BIM-protocol   Contractuele eisen en voorwaarden m.b.t. de toepassing van BIM in het project.
BIM-regisseur   Procesmanager en informatiemanager van het BIM-project. (Bron: BIR Kenniskaart nr. 3 “BIM-rollen en -competenties”) 
BIM-uitvoeringsplan   Document waarin de projectpartners de BIM-gerelateerde (samenwerkings-)afspraken voor het project vastleggen en actueel houden, zodanig dat tenminste wordt voldaan aan de eisen en voorwaarden uit het BIM Protocol en de ILS en optimaal wordt voorzien in de daaruit voortvloeiende informatiebehoeften van de projectpartners onderling. 

Bouwkundige constructie

 

Dragende constructie waarlangs de optredende krachten naar de fundatie worden ­afgeleid.

Chromateren

 

Chemische voorbehandeling van aluminium of verzinkt staal ter bescherming tegen ­corrosie door middel van het aanbrengen van een chromaatlaag.

Coating

 

Een deklaag (nat- of poederlaksysteem) op een voorbehandeld oppervlak.

Component

 

Onderdeel van een gevelelement zoals glas of een paneel.

Coördinatiemodel   BIM-model waarin aspectmodellen van en voor verschillenden disciplines zijn samengevoegd ten behoeve van onderlinge afstemming.                                    (Bron: Juridische handreiking relatie BIM-Protocol en de DNR 2011 voor adviseurs en opdrachtgevers, BNA 2015) 
Data drop   Vast moment waarop door de verschillende disciplines data wordt aangeleverd.
Definitief model   Het definitieve model is het laatste aspectmodel van de opdrachtnemer waarin alle opmerkingen van de opdrachtgever verwerkt zijn en die door opdrachtgever is gecontroleerd op clashes met andere aspectmodellen. Het definitieve model dient te worden goedgekeurd door de opdrachtgever. 

Deur

 

Beweegbaar deel in een scheidingsconstructie bedoeld om doorgang mogelijk te maken.

Dilatatievoeg

 

Voeg die beweging van de gevelelementen ter plaatse van de voeg t.o.v. elkaar mogelijk maakt.

Disciplinemodel   Model, of verzameling van modellen van een bepaalde discipline van een gebouw (bijvoorbeeld constructie, architect, etc). Disciplines (volgens NEN 2574) kunnen zijn: Bouwkundig; Constructie; Installatie (E,W,S enz.. zijn aspectmodellen); Inrichting (vaste en losse inrichting; meubels);Terrein.                              (Bron: Nationaal BIM Handboek) 
Document   Verzameling gegevens vastgelegd op een gegevensdrager. Dit kan zijn op papier of digitaal. 
(Bron: Wikipedia) 
Duplicaat   Object dat twee keer (of vaker) voorkomt in een aspect- of coördinatiemodel. 

Elektrolytisch verzinken

 

Het langs elektrochemische weg aanbrengen van een zinklaag op staal ter bescherming tegen corrosie.

Enkelvoudige gevelbekleding

 

Plaatwerk gemonteerd aan de gevel met als belangrijkste functie het geven van een esthetische waarde aan de gevel.

Fosfateren

 

Chemische behandeling van staal als maatregel ter bescherming tegen het optreden van corrosie en/of voor het verkrijgen van hechting, door middel van het aanbrengen van een fosfaatlaag.

Geïsoleerd profiel

 

Staafmateriaal van een constante doorsnede, thermisch gescheiden door een ‘isolator’ van een ander materiaal (meestal kunststof) en met een aanzienlijk geringer thermisch ­geleidingsvermogen dan de aluminium of stalen profielen die uit één stuk bestaan.

Gesloten voeg

 

Met toevoeging, meestal kit of rubber, afgedichte voeg.

Gevelelement

 

Fabrieksmatig met behulp van raamwerken vervaardigd zelfdragend bouwdeel, zoals kozijn, raamstrook en/of pui, met vaste vullingen en/of beweegbare delen met toebehoren, bestemd voor toepassing als (gevelvulling in een) uitwendige scheidingsconstructie.

Glasdak

 

Een zelfdragende beglaasde uitwendige scheidingsconstructie in een dakvlak.

Hoogbouw

 

Gebouwen met een dakrandhoogte van meer dan 70 meter.

Horizontale raamstrook

 

Op elkaar aansluitende gevelelementen die in een horizontale strook worden aangebracht tussen de vloeren en/ of borstweringen, maar vóór de wanden.

IFC   Industrial Foundation Classes: open BIM standaard voor de systeemonafhankelijke uitwisseling van objectgeoriënteerde data in bouwprojecten. VMRG BIM Uitvoeringsplan – Versie 1.0 7 / 27 
Informatie Levering Specificatie (ILS)   Specificatie van de content, de structuur en de dragers van de (BIM-)data die op door de OG gedefinieerde leveringsmomenten (data drops) moeten worden geleverd aan de OG ter ondersteuning van besluitvorming in de diverse fasen van de levenscyclus van het bouwwerk en ter ondersteuning van gebruik, beheer en onderhoud.

Ingangskeuring

 

Keuring door de VMRG gevelbouwer van de aangeleverde materialen.

Issue   Technisch of organisatorisch probleem in de afstemming van aspectmodellen, dat projectpartners in onderling overleg, onder leiding van de centrale BIM-coördinator, dienen op te lossen. 

Kier

 

Bedoelde of onbedoelde spleetvormige opening in een aansluitconstructie.

Kozijn

 

Raamwerk dat bestemd is om in een bouwkundig kader te worden bevestigd, eventueel met behulp van een stelkozijn of stellijst.

Lakken

 

Zie 'Coating'.

Leveranciermodellen   Een aspectmodel gemaakt door een leverancier/producent. Dit is een model waarmee ook de productie wordt aangestuurd.                                                        (Bron: Nationaal BIM Handboek) 

Moffelen

 

Het geforceerd uitharden van een coating onder invloed van een verhoogde temperatuur.

Naad

 

Aansluiting tussen (bouw-)delen, die kennelijk niet bedoeld is om die delen ten opzichte van elkaar (door bediening of anderszins) te laten bewegen.

Natlak

 

Een nat aangebrachte coating. Voor het uitharden kan gebruik gemaakt worden van moffelen, maar dit is niet per definitie noodzakelijk.

Object Type Library (OTL)   Digitale beschrijving van generieke, herbruikbare concepten (typen of soorten, inclusief hun kenmerken en onderlinge relaties), die betrekking hebben op : 
• Fysieke gebouwde (verbouwde, aangepaste) objecten in de wereld om ons heen (onze omgeving); 
• De gebruiksruimten en –gebieden, die door deze objecten worden gerealiseerd; 
• Gedurende de hele levenscyclus (concept, ontwerp, realisatie, gebruik, onderhoud, sloop); 
• Focus: as required (ontwerp, realisatie), as built (gebruik, onderhoud). 
 (Bron: “Instructie modelleren op basis van de OTL”, Rijkswaterstaat, 11 november 2016) 

Omtrekspeling

 

De ruimte tussen het bouwkundige kader en het gevelelement bedoeld om maattoleranties op te vangen.

Onderopdrachtnemer   Persoon of organisatie die in opdracht van de Opdrachtnemer, zonder voor hem in dienst te zijn, de Werkzaamheden, c.q. het Werk geheel of gedeeltelijk uitvoert.

Opdrachtnemer

 

VMRG gevelbouwer.

OpenBIM   OpenBIM is een universele benadering naar het collaboratief ontwerp, realisatie en exploitatie van gebouwen gebaseerd op open standaarden en workflows. OpenBIM is een initiatief van buildingSMART International (bSI) en verschillende toonaangevende softwareleveranciers die het  de open buildingSMART Data Model gebruiken.  (Bron: BuildingSMART International) 

Open voeg

 

Niet-afgedichte voeg.

Overeenkomst   Het contract gesloten tussen de partijen, bekend onder , waarvan dit BIM Protocol deel uitmaakt. VMRG BIM Protocol – Versie 1.0 6 / 11 
Participant   Elke deelnemer (persoon) aan het project, inclusief de Opdrachtgever. 

Poederlak

 

Een in poedervorm aangebrachte coating, waarbij uitharding plaatsvindt door middel van moffelen.

Poederlakken

 

Het aanbrengen van een coating door middel van moffelen van een langs elektrostatische weg op het werkstuk neergeslagen lak in poedervorm.

Projectpartner   Elke deelnemer aan het project: opdrachtgever, ontwerpers, adviseurs, derden adviseurs en zij die het object uitvoeren. 

Pui

 

Een gevelvulling samengesteld uit aan elkaar gekoppelde kozijnen.

Raam

 

Kader t.b.v. beglazing of andere vakvullingen.

Roestvaststaal

 

Bevestigingsmiddelen van roestvaststaal dienen van kwaliteit 304 of 316 te zijn of beter, waarbij 304 overeenkomt met A2 kwaliteit en 316 overeenkomt met A4 kwaliteit.

Rol   Een specifiek takenpakket dat is toegewezen aan een persoon. Een persoon of bedrijf kan meerdere rollen vervullen.

Ruit

 

Op maat gemaakte glasplaat om te worden toegepast in een scheidingsconstructie.

Scheidingsconstructies

 

Constructies bedoeld om bouwkundige ruimtes af te schermen van de buitenatmosfeer of van elkaar.

Schooperen (zinkspuiten)

 

Het door middel van vlamspuiten van zinkdraad of -poeder aanbrengen van een zinklaag op staal.

Sendzimir verzinkt plaatmateriaal

 

Plaatmateriaal dat als vlak bandstaal, in een continu proces, door een zinkbad wordt geleid, waardoor een dunne laag zink op het staal achterblijft.

Serre

 

Een zelfdragende beglaasde uitwendige scheidingsconstructie samengesteld uit op elkaar aansluitende gevel- en dakelementen. De bouwkundige constructie en fundering maken geen onderdeel uit van het begrip serre in dit document.

Sluitnaad

 

De aansluiting tussen een bewegend deel en kozijn.

Stelkozijn

 

Lucht- en waterdicht constructief element in een aansluitconstructie, geschikt als aanslag voor het monteren van een raamwerk (kozijn of pui) in een bouwkundig kader.

Stellijst

 

Plaatachtig constructief element in een aansluitconstructie, geschikt als aanslag voor het monteren van een raamwerk (kozijn of pui) in een bouwkundig kader.

Structurele beglazing

 

De ruiten worden niet in sponningen opgenomen maar door mechanische bevestiging tegen de achterliggende constructie bevestigd d.m.v. schroefverbindingen.

Structural Sealant Glazing (SSG beglazing)

 

De ruiten worden niet in sponningen opgenomen maar door “lijmen” of “verkleven” tegen de achterliggende constructie bevestigd, al dan niet ondersteund om het gewicht van het glas op te vangen.

Thermisch verzinken

 

Het door middel van dompelen in gesmolten zink aanbrengen van een zinklaag.

Vakvulling

 

Glas of niet-zelfdragende sandwichconstructies (-panelen), die toegepast worden in vliesgevels, elementengevels en kozijnconstructies als invulling van een vak met een kader.

Verticale raamstrook 

 

Op elkaar aansluitende gevelelementen die in een verticale strook worden aangebracht tussen de wanden maar vóór de vloeren. Die gevelelementen kunnen kozijnen zijn maar ook panelen.

Verzinken

 

Het aanbrengen van een zinklaag.

Vliesgevel

 

 

Zelfdragend uitwendige scheidingsconstructie, ter plaatse in het werk opgebouwd uit gevelelementen en/of een stijl- en regelwerk van profielen tot een systeemwand, welke door verankering aan de achterliggende bouwconstructie is bevestigd en waarin beweegbare delen en/of vullingen met toebehoren zijn opgenomen.

VMRG gevelbouwer 

 

Gevelbouwer in bezit van VMRG Keurmerk®.

VMRG Keurmerk®

 

Bewijs dat een gevelbouwer gekwalificeerd is als VMRG gevelbouwer.

Voeg
 

 

Een ten behoeve van dichting met een afdichting gevulde naad, teneinde voor de betreffende toepassing een doeltreffende duurzame afdichting te realiseren.

Werk   Het eindproduct waarop de Overeenkomst betrekking heeft.

Zelfdragend gevelelement

 

Gevelelement dat geen externe constructieve krachten kan opnemen.
 

 

1.7 Aanduidingen op tekeningen

Deze paragraaf is opgesplitst in een subparagraaf over beweegbare delen, geveltypen, en benamingen van profielen en hoofdmaten van profielen.

1.8 Belasting van het milieu

De VMRG gevelbouwers dragen er zorg voor dat bij het produceren en monteren van aluminium gevelelementen gebruik wordt gemaakt van materialen en processen die het milieu zo min mogelijk belasten. Aluminium is vrijwel volledig terugwinbaar en kan onbeperkt en vrijwel zonder kwaliteitsverlies worden hergebruikt. De VMRG gevelbouwers zijn aangesloten bij de Stichting AluEco.

De VMRG gevelbouwers dragen er zorg voor dat bij het produceren en monteren van stalen gevelelementen gebruik wordt gemaakt van materialen en processen die het milieu zo min mogelijk belasten. Staal is vrijwel volledig terugwinbaar en kan onbeperkt en vrijwel zonder kwaliteitsverlies worden hergebruikt.

Er worden bij de fabricage van VMRG gevelelementen uitsluitend CFK-vrije materialen gebruikt.

In verband met renovatie en/of vervanging dient in de ontwerpfase rekening te worden gehouden met de demontage van gevelelementen en/of componenten.

1.9 Vormgeving

In het ontwerpstadium dient, mede ter voorkoming van corrosie o.a. met de volgende punten rekening te worden gehouden:

  • Horizontale vlakken blijven langer nat en vervuilen sneller;
  • Capillaire naden houden vocht en vuil vast;
  • Moeilijk bereikbare plaatsen worden meestal niet of slecht onderhouden;
  • Hellende gevels zijn lastig schoon te maken;
  • Zeer grote draaiende delen zijn vanwege de grotere afmetingen minder gebruikersvriendelijk en meer windgevoelig, dus kwetsbaar;
  • Slecht bereikbare ruiten zijn moeilijk herplaatsbaar.


Ruiten met grote afmetingen of bijzondere specificaties kunnen consequenties hebben voor aspecten zoals:

  • levertijd;
  • fabricage;
  • uitvoerbaarheid;
  • transport;
  • montage;
  • vervangbaarheid;
  • risico op breuk.
     

1.10 Relatie met het bouwbesluit en normen

De VMRG Kwaliteitseisen en Adviezen® zijn mede afgestemd op het Bouwbesluit en de BRL 2701. De VMRG Kwaliteitseisen en Adviezen® bevatten hogere, aanvullende en nadere eisen op het Bouwbesluit en de BRL 2701. Voor een juist gebruik van de VMRG Kwaliteitseisen en Adviezen® is het noodzakelijk kennis te nemen van de specifieke toepassing.

In de VMRG Kwaliteitseisen en Adviezen® wordt mede verwezen naar normen en bepalingen. De VMRG Kwaliteitseisen en Adviezen® worden voortdurend aangepast aan de op dat moment geldende eisen, normen en adviezen. Op o.a. deze website en www.bouwbesluitonline.nl zijn steeds de actuele gegevens beschikbaar.

Partijen die overeenkomsten sluiten onder toepassing van de VMRG eisen genoemd in de VMRG Kwaliteitseisen en Adviezen® worden geadviseerd uit te gaan van de actuele gegevens.

1.11 Integriteit

De VMRG en haar leden stellen vertrouwen als een beginsel waar men trots op is. Concreet wordt de inhoud van het integriteitprincipe weergegeven door: “De leden zullen zich zorgvuldig, integer en maatschappelijk verantwoord gedragen”. Directie en medewerkers van de leden zullen zich onthouden van:

  • gedragingen die in strijd zijn met het Europees Nederlands Mededingingsrecht;
  • gedragingen op grond waarvan een aannemer ingevolge artikel 24, sub c t/m sub g van de Richtlijn 93/37/EEG [1] (en de corresponderende bepalingen in de overige Europese aanbestedingsrichtlijnen) kan worden uitgesloten van deelname aan een aanbesteding;
  • andere strafbare gedragingen in het verkeer met opdrachtgevers en concurrenten.
     

1.12 Integrale veiligheid

Bij het realiseren van een gebouw is de integrale veiligheid van groot belang. Daarmee wordt gedoeld op alle veiligheidsaspecten tot en met de fase waarin demontage of sloop van het gebouw plaatsvindt. Veel aspecten die te maken hebben met de integrale veiligheid van het gebouw worden bepaald door het ontwerp van het gebouw. De opdrachtgever dient in de ontwerpfase een gevel­ontwerp te realiseren waarbij rekening gehouden is met de aspecten in relatie tot veiligheid zoals:

  • de maakbaarheid;
  • de logistieke veiligheid;
  • de gebouwomgeving;
  • de montage;
  • het gewicht en de afmetingen;
  • de toleranties en zettingen van het gebouw;
  • de materiaaleigenschappen;
  • het gebruik;
  • de reiniging, het onderhoud en inspectie;
  • de demontage en recycling van gebouwonderdelen.

2 Functionele eisen

2.1 Inleiding

In dit onderdeel worden de verschillende functionele eisen behandeld die aan VMRG gevelelementen worden gesteld. Naast enkele algemene zaken worden de bouwfysische eigenschappen van gevelelementen behandeld. Vervolgens komen enkele specifieke eisen van speciale producten aan bod. Voor de opdrachtgever is het o.a. van belang dat de VMRG gevelelementen voldoende beschutting bieden tegen weersinvloeden en geluidsoverlast en dat beweegbare delen goed te bedienen zijn.

Voor het vaststellen van de toetsingsdruk met betrekking tot de luchtdoorlatendheid en waterdichtheid is de ligging van het gebouw in Nederland bepalend. Voor de luchtdoorlatendheid / waterdichtheid alsook het vaststellen van de winddruk voor het berekenen van de sterkte geldt de indeling volgens NEN-EN 1991-1-4(NB). Deze norm geeft voor windsnelheidsgebied I en II de indeling in “bebouwd”, “onbebouwd” en “kust”.

Voor binnenpuien geldt alleen het gestelde onder Bediening van sluitwerk; voor winkelpuien en entreepartijen zoals hardglazen deuren, (automatische) schuifdeuren, tourniquets, vouwwanden, schuifwanden alsmede trafodeuren geldt het onder Winkelpuien, entreepartijen en trafodeuren gestelde. Deze waarden gelden voor ramen en deuren met een rondom doorlopend kader.

2.2 Luchtdoorlatendheid

De luchtdoorlatendheid van VMRG gevelelementen is van invloed op het comfort in een ruimte en op de energiezuinigheid van een gebouw. Voor wat betreft het comfort is het van belang dat onder extreme omstandigheden ofwel bij grote luchtdrukverschillen (storm) de gevelelementen niet te veel lucht doorlaten. Voor wat betreft de energiezuinigheid is het van belang, dat de luchtdoorlatendheid bij kleine drukverschillen, te weten 10 Pascal, gering is. Een geringe luchtdoorlatendheid bij 10 Pascal heeft immers een positief effect op de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC) van een gebouw.

Hieronder zal op beide facetten nader worden ingegaan, zowel voor ramen en deuren, als voor vliesgevels. Tevens wordt ingegaan op de gegevens bij CE-markering.

2.3 Waterdichtheid

De constructie van VMRG gevelelementen dient zodanig te zijn, dat het zich in de sponning bevindende water niet zodanig kan spatten dat delen nat zouden worden die droog moeten blijven en dat een gecontroleerde afvoer gegarandeerd wordt.

1.1 Hoogbouw.jpg

Voor gebouwen met een hoogte van meer dan 150 meter geldt als minimum een toetsingsdruk van 750 Pa. De opdrachtgever wordt aanbevolen om voor productie de gevelelementen te onderwerpen aan een test zoals op de wind- en waterdichtheid. Daarbij is het aan te bevelen ook de bouwkundige aansluitingen te testen.

2.4 Thermische isolatie

Een belangrijke reductie van warmteverliezen wordt verkregen door het toepassen van geïsoleerde profielen, isolatieglas, isolerende panelen enz. Desalniettemin kan er toch condens op deze bouwdelen optreden. Dit is afhankelijk van de oppervlakte­temperatuur, luchtvochtigheid e.d. Zie Condensvorming.

Het Bouwbesluit stelt dat een uitwendige scheidingsconstructie overeenkomstig NEN 1068, ten minste een Rc-waarde moet hebben van 4,5 m2.K/W. Deze eis geldt niet voor een deur, raam, kozijn en een daarmee gelijk te stellen gevelelement. Hiervoor geldt de eis in het Bouwbesluit dat per 1 januari 2015 de warmtedoorgangscoëfficiënt (U-waarde) bepaald volgens NEN 1068 ten hoogste 2,2 W/(m2.K) is met een gemiddelde U-waarde van alle ramen, deuren en dergelijke in het bouwwerk van maximaal 1,65 W/(m2.K).

"Een uitwendige scheidingsconstructie zijnde een paneel voldoet aan de Rc-waarde als achter het paneel zich nog een bouwkundige constructie bevindt. Dit paneel maakt dan geen deel uit van de berekening van de u-waarde van het overige geveldeel. Is deze bouwkundige constructie achter het paneel niet aanwezig dan gedraagt het paneel zich als onderdeel van de gevel en wordt de warmtedoorgangscoëfficiënt (U-waarde) bepaald volgens NEN 1068.
Of
(tekst uit Bouwbesluit)
Ramen, deuren en kozijnen gelijk te stellen constructieonderdelen moeten wel ieder afzonderlijk een U-waarde van ten hoogste 2,2 W/(m².K) hebben. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om in kozijnen opgenomen borstweringen (panelen) of de zijwangen van een dakkapel."

De warmtedoorgangscoëfficiënt van een raam of deur is afhankelijk van het type profiel en het type glas inclusief de randverbinding van het glas. De warmtedoorgangscoëfficiënt van metalen raam- en deurprofielen is vooral afhankelijk van de soort en afmeting van de isolator (koudebrugonderbreking) (zie grafiek Isolatiewaarde).

Isolatiewaarde in relatie tot dikte isolator

2.4 Aluminium_Functionele-Eisen_Waterdichtheid_Isolatiewaarden.jpg

De kleinste afstand tussen de beide metalen profieldelen (d) in mm, mag niet kleiner zijn dan de waarde die uit de lijn in de figuur kan worden afgeleid. Voor kleinere afstanden dient door beproeving te worden aangetoond dat het profiel voldoet.

Gearceerd gebied: vanuit talrijke praktijkmetingen verkregen bandbreedte welke de U-waarde geeft van thermisch onderbroken metalen kozijnprofielen.

In NEN 1068 worden berekeningsmethoden aangegeven om de U-waarde van raam of deur vast te stellen. Hierin moet voor het geprojecteerde oppervlakte van het raam worden uitgegaan van het buitenaanzicht.

De isolatiewaarde (U-waarde) van VMRG gevelelementen is afhankelijk van de gebruikte isolator in het aluminium profiel. Iedere VMRG gevelbouwer kan aangeven wat de U-waarde van een specifiek gekozen profiel is. Hoe lager de U-waarde van een profiel, hoe beter het profiel isoleert. Moderne aluminium profielen hebben een U-waarde van 2,6 W/(m2.K) of lager. Er zijn momenteel aluminium profielen beschikbaar met een U-waarde van 1,0 W/(m2.K) of lager. De totale U-waarde van een VMRG gevelelement is daarnaast afhankelijk van het type beglazing en/of panelen. Tegenwoordig wordt meestal HR++ beglazing met een U-waarde van 1,1 W/(m2.K) toegepast.

De isolatiewaarde (U-waarde) van VMRG gevelelementen is afhankelijk van de gebruikte isolator in het stalen profiel. Iedere VMRG gevelbouwer kan aangeven wat de U-waarde van een specifiek gekozen profiel is. Hoe lager de U-waarde van een profiel, hoe beter het profiel isoleert. Moderne stalen profielen hebben een U-waarde van 2,6 W/(m2.K) of lager. De totale U-waarde van een VMRG gevelelement is daarnaast afhankelijk van het type beglazing en/of panelen. Tegenwoordig wordt meestal HR++ beglazing met een U-waarde van 1,1 W/(m2.K) toegepast.

Bij de reële aanname dat het metalen kozijnoppervlak 20% van het totale oppervlak van een kozijn, raam, deur, pui, vliesgevel, glasdak of serre bedraagt, kan voor het opzoeken van de totale U-waarde van een VMRG gevelelement onderstaande tabel (U-waarde VMRG gevelelement) worden gebruikt. Indien deze gegevens voor een EPC-berekening benodigd zijn en er nog geen specifiek metalen profiel, glas en/of panelen gekozen is, kan worden uitgegaan van de genoemde uitgangspunten en tabel U-waarde VMRG gevelelement. Voor het bepalen van de specifieke U-waarde van een VMRG gevelelement kan een berekening gemaakt worden. Indien een thermisch verbeterde glasrandverbinding wordt toegepast kan worden uitgegaan van de waarden in tabel U-waarde VMRG gevelelement met thermisch verbeterde glasrandverbinding. Voor de psi-waarde van de thermisch verbeterde glasrandverbinding wordt meestal 0,08 aangehouden. Voor een juiste indicatie van de psi-waarden voor de glasrandverbinding zie NEN-EN-ISO 10077-1, tabel E.1 en E.2.

U-waarde VMRG gevelelement

2.4 Aluminium_Functionele-Eisen_Thermische-isolatie_U-waarde_VMRG-Element.jpg

U-waarde VMRG gevelelement met thermisch verbeterde glasrandverbinding

2.4 Aluminium_Functionele-Eisen_Thermische-isolatie_U-waarde_VMRG-Element_Glasrand.jpg

2.5 Geluidwering

De werkelijke geluidwering van een gevelelement kan alleen zuiver worden vastgesteld door meting. In het ontwerpstadium is de mate van de te verwachten geluidwering uitsluitend door berekening te bepalen.

Bij de verschillende geveltypen uit Aanduidingen op tekeningen gelden voornamelijk de volgende aandachtspunten met betrekking tot geluidsoverdracht:

1. Vliesgevel: 
   - Geluidwering buiten - binnen;
   - Geluidtransport via stijlen (contact- en luchtgeluid);
   - Geluidtransport via regels (contact- en luchtgeluid);
   - Aansluiting tussen gevel en plafond (luchtgeluid);
   - Aansluiting tussen gevel en wand (luchtgeluid).

2. Horizontale raamstrook:
   - Geluidwering buiten - binnen;
   - Geluidtransport via regels (contact- en luchtgeluid);
   - Aansluiting tussen gevel en wand (luchtgeluid).

3. Verticale raamstrook:
   - Geluidwering buiten - binnen;
   - Geluidtransport via stijlen (contact- en luchtgeluid);
   - Aansluiting tussen gevel en plafond (luchtgeluid).

4. Pui:
   - Geluidwering buiten - binnen.

Buitengevels:
Gevelelementen in de buitengevel leveren al snel een geluidswering van 26 dB(A), mits de beweegbare delen rondom aansluiten tegen een dichtingsrubber. Omdat bij deuren meestal de onderzijde niet afgedicht wordt, is deze geluidwering bij deuren meestal niet te bereiken. Daar zal de geluidwering ca. 20 dB(A) zijn.

Het Bouwbesluit stelt als eis dat een uitwendige scheidingsconstructie in gesloten toestand een geluidwering van minimaal 20 dB(A) op moet leveren. Afhankelijk van de geluidsbelasting en de soort binnenruimte kan deze eis hoger liggen. Dus om aan de eisen van het Bouwbesluit te kunnen voldoen dient de opdrachtgever de VMRG gevelbouwer nauwkeurig te informeren over de eisen t.a.v. de geluidwering van het te leveren gevelelement.

Een VMRG gevelelement, mits voorzien van een rondomlopend kader en zonder ventilatierooster(s) e.d., heeft in gesloten toestand een geluidwering van minimaal 23 dB(A).

Bij VMRG gevelelementen met uitstekende delen, zoals waterslagen of lightshelves, dient extra aandacht besteed te worden aan contactgeluidisolatie. Indien gekozen wordt voor een oplossing met antidreunfolie dient bij horizontale delen voor een goede werking ca. 2/3 van het oppervlak bedekt te zijn.

Er kunnen hinderlijke windgeluiden ontstaan door het toepassen van bijvoorbeeld roosters, scherpe hoeken en holle profielen in gevelelementen. Dit is door de VMRG gevelbouwer niet te voorzien. Indien deze vorm van geluidhinder optreedt, dient achteraf beoordeeld te worden hoe dit door de opdrachtgever verholpen kan worden.

2.6 Winkelpuien, entreepartijen en ­trafodeuren

Voor winkelpuien en entreepartijen worden veelal hardglazen deuren, (automatische) schuifdeuren/vouwwanden, tourniquets en schuifwanden toegepast. Door de aard van dergelijke constructies is het veelal niet zonder bijzondere voorzieningen mogelijk de sluitnaden zodanig uit te voeren, dat voldaan kan worden aan de normale luchtdoorlatendheid- en waterdichtheidseisen als vermeld in de onderdelen Luchtdoorlatendheid en Waterdichtheid.

Bij toepassing van dergelijke constructies dient het onderstaande in acht te worden genomen:

  • In gesloten stand mogen kieren niet groter zijn dan 10 mm;
  • Door de opdrachtgever dienen aanvullende bouwkundige voorzieningen getroffen te worden in verband met de eis uit het Bouwbesluit “wering van vocht van buiten”.


Bouwkundige voorzieningen kunnen zijn het aanbrengen van:

  • Een luifelconstructie van voldoende grootte, zodat regenwater onder een hoek van 45° het beweegbare deel niet kan raken en stuwing van water wordt tegengegaan;
  • Een tochtportaal;
  • Een gootconstructie in de vloer, zodat eventueel naar binnen dringend regenwater effectief afgevoerd kan worden;
  • Tochtborstels.


Stuwing van water kan worden tegengegaan door installatietechnische maatregelen te treffen, bijvoorbeeld door het creëren van permanente overdruk in de binnenruimte.

Aan deuren in bijzondere toepassingen, zoals trafodeuren, vluchtdeuren in tunnels, archiefdeuren e.d., kunnen met betrekking tot de luchtdoorlatendheid en waterdichtheid, door de opdrachtgever afwijkende en/of aanvullende eisen gesteld worden.

2.7 Vliesgevels en serres

De diverse geveltypen kunnen worden onderscheiden naar de wijze van constructie en naar de wijze van functioneren. Men spreekt van stijl- en regelgevel, componentengevel, warmespouw gevel, koudespouw gevel, klimaatgevel, tweedehuid gevel, reactieve gevel enz. Alhoewel specifieke gevelconstructies met betrekking tot ontwerp en uitvoering hun eigen specifieke problemen met zich meebrengen, kan gesteld worden:

De in deze VMRG Kwaliteitseisen en Adviezen® gestelde eisen zijn onverkort van toepassing op vliesgevels, glasdaken en serres.

Nadere informatie is te vinden in VMRG publicatie “Gevels en Architectuur”, ISBN: 90.9009266.8.

2.8 Schuine glasgevels en glasdaken

Bij het ontwerpen, fabriceren, monteren en gebruiken van glasdaken en schuine glasgevels moet rekening worden gehouden met een aantal factoren die bij verticaal geplaatste gevels een andere rol spelen. Die factoren hebben betrekking op o.a.:

  • De constructieve veiligheid;
  • De brandveiligheid;
  • De waterhuishouding;
  • De licht- en zontoetreding;
  • De thermische isolatie;
  • De beglazing;
  • De bereikbaarheid (montage/technisch onderhoud/reiniging);
  • Condensafvoer.
     

2.9 Ventilatie

Veelal wordt de toevoer van de noodzakelijke verse buitenlucht in utiliteitsgebouwen verzorgd door het ventilatiesysteem dat deel uitmaakt van het verwarmingssysteem. In woningen daarentegen ontbreekt meestal een actief ventilatiesysteem. De ventilatie moet dan tot stand worden gebracht door openingen in de buitengevel, zoals roosters en uitzetramen.

De benodigde ventilatie moet worden bepaald volgens NEN 1087 en voldoen aan de eisen zoals gesteld in het Bouwbesluit.

De eisen die aan ventilatie worden gesteld hebben o.a. betrekking op:

  • De ventilatiecapaciteit, ofwel de hoeveelheid buitenlucht die toetreedt bij een drukverschil van 1 Pa;
  • De geluiddemping in geopende stand;
  • De regelbaarheid;
  • De luchtdichtheid in gesloten stand;
  • De mogelijkheid tot schoonmaken van binnen uit.


Voorts dient de ventilatievoorziening waterdicht te zijn tot een toetsingsdruk overeenkomstig NEN 2778 in gesloten stand.

De luchtsnelheid van de toegetreden buitenlucht dient bij een luchtdrukverschil van 10 Pa lager te zijn dan 0,20 m/s op een afstand van 1 m van de gevel. Ventilatievoorzieningen geplaatst boven 1,8 m vloerhoogte worden geacht hieraan te voldoen. Deze eis heeft te maken met comfort.

Aangezien de VMRG gevelbouwer onvoldoende inzicht heeft in de geluidsbelasting op de gevel (bepalend voor de vereiste mate van geluiddemping van het rooster) en de grootte van het verblijfsgebied (bepalend voor de mate van de ventilatiecapaciteit) dient de opdrachtgever de vereiste geluiddemping en de ventilatiecapaciteit bij de aanvraag op te geven.

Nadat alle eisen bekend zijn waaraan het ventilatierooster dient te voldoen, is selectie van het juiste rooster te bepalen aan de hand van de KOMO kwaliteitsverklaringen op basis van BRL 5701. In deze KOMO kwaliteitsverklaringen van de fabrikanten van ventilatieroosters wordt namelijk een opgave verstrekt van de prestaties, die de diverse typen en uitvoeringen leveren.

1.1 Hoogbouw.jpg

Bij het toepassen van ventilatieroosters dient rekening gehouden te worden met hoge windsnelheden.

2.10 Bediening van sluitwerk

Om de bedieningskrachten van ramen en deuren te bepalen dienen testen uitgevoerd te worden conform NEN-EN 12046-1 (ramen) en NEN-EN 12046-2 (deuren). De resultaten uit de testen kunnen geclassificeerd worden volgens NEN-EN 13115 (ramen) of NEN-EN 12217 (deuren).

In onderstaande tabellen is de wijze van classificeren weergegeven. Genoemde klassen worden op het CE-document weergegeven.

VMRG gevelelementen dienen minimaal te voldoen aan klasse 1 volgens EN 13115 voor ramen en klasse 1 volgens EN 12217 voor deuren.

Schuifdeuren mogen voldoen aan klasse 0, met een maximale bedieningskracht van 150N.

Classificatie van ramen volgens NEN-EN 13115

2.10 Aluminium_Functionele-Eisen_Ventilatie_Classificatie-Ramen.jpg

Classificatie van deuren volgens NEN-EN 12217

2.10 Aluminium_Functionele-Eisen_Ventilatie_Classificatie-Deuren.jpg

1.1 Hoogbouw.jpg

Voor gebouwen met een hoogte van meer dan 150 meter geldt als minimum een toetsingsdruk van 750 Pa. De opdrachtgever wordt aanbevolen om voor productie de gevelelementen te onderwerpen aan een test zoals op de wind- en waterdichtheid. Daarbij is het aan te bevelen ook de bouwkundige aansluitingen te testen.

2.11 Elektromagnetisch spectrum

Gebouwen kunnen door hun vorm en/of afmetingen radarsignalen verstoren. Bij het ontwerp van het gebouw dient door de opdrachtgever daar rekening mee te worden gehouden. Dit kan gevolgen hebben voor bijvoorbeeld de positie van de gevel, de gevelbeplating of het glas. Voorbeelden van locaties waar het bovenstaande kan optreden zijn:

  • Bouwlocatie nabij een vliegveld;
  • Bouwlocatie nabij een zendmast.


Daarnaast dient te worden opgemerkt dat moderne gevels dermate hoog isolerend kunnen zijn dat zij ook radiosignalen (bijvoorbeeld voor het gebruik van mobiele telefonie) niet meer doorlaten. Dit verschijnsel kan zich voornamelijk voordoen bij het gebruik van meervoudig glas in de gevel, al dan niet in combinatie met metaalcoating.

3 Legeringen en isolatoren

3.1 Inleiding

In dit onderdeel worden de legeringen van aluminium en de eigenschappen van isolatoren behandeld. In de eerste paragraaf worden chemische, mechanische en fysische eigenschappen van aluminium gegeven. En in de laatste paragraaf komen tenslotte de ken-grootheden van isolatoren aan bod.

In dit onderdeel worden de legeringen van staal en de eigenschappen van isolatoren behandeld. In de eerste paragraaf worden eigenschappen van verscheidene soorten staal gegeven. En in de laatste paragraaf komen tenslotte de ken-grootheden van isolatoren aan bod.

3.2 Legeringen

3.3 Isolatoren

Het thermisch en mechanisch gedrag van geïsoleerde profielen blijkt vooral te worden beheerst door:

  • Profielvorm en materiaal van de beide profieldelen;
  • De eigenschappen van de isolator, die numeriek kunnen worden vastgelegd in ‘ken-grootheden’.


De belangrijkste ken-grootheden zijn:

1. Thermische ken-grootheden
Deze grootheid bepaalt de thermische isolatie van het profiel. Meer informatie hierover is te vinden in Thermische isolatie.

2. Mechanische ken-grootheden

  • De vervormingsconstante C (in N/mm2) wordt gedefinieerd door:

C = T/б

         Hierin is T de schuifweerstand van de verbinding (in N/mm), en б is de door T
         veroorzaakte verplaatsing van de beide metaalprofielen ten opzichte van elkaar,
         in de lengterichting van de profielen (in mm). 

  • De bezwijkwaarde van T (bezwijken door scheuring of vervorming binnen de isolator, dan wel door onthechting van één van de metaalprofielen);
  • De bezwijkwaarde op normaalbelasting (Q-waarde) in N, dit is de bezwijkwaarde van een trekkracht die de beide metaalprofielen van elkaar verwijdert.


De waarden T, C en Q moeten voldoen aan de eisen, toetsen en beproevingen gesteld in NEN-EN 14024. Verder wordt de kwaliteit en duurzaamheid van de profielen bepaald aan de hand van de resultaten van de metingen van de karakteristieken bij verschillende temperaturen (-10 °C, 20 °C en 70 °C) evenals voor en na een versnelde kunstmatige veroudering.

De toeleveranciers van geïsoleerde profielen werken elk met hoogstens enkele isolatoren. Veelal worden glasvezelversterkte polyamide isolatoren toegepast. Het grote aantal geïsoleerde profielvormen ontstaat door de grote verscheidenheid van metaalprofielen. De mechanische ken-grootheden, die in principe per isolator verschillen, worden niet altijd door de toeleverancier vermeld.

De eigenschappen van isolatoren en hun hechting aan het metaal kunnen worden beïnvloed door oppervlaktebehandelingen van het metaal, de daarbij optredende temperaturen en de toegepaste chemicaliën.

4 Constructies

4.1 Inleiding

In dit onderdeel worden eisen gesteld aan en adviezen gegeven over de constructieve eigenschappen van VMRG gevelelementen. In het eerste gedeelte komen de sterkte- en stijfheidseigenschappen aan bod. Vervolgens worden de toleranties van verscheidene constructies gedefinieerd. De laatste twee paragrafen behandelen respectievelijk het hang- en sluitwerk en de waterhuishouding. Verder hebben alle Europese lidstaten hun nationale normen voor constructieberekeningen (in Nederland: NEN 6700 t/m NEN 6790) in 2010 ingetrokken, zodat nu alleen nog Eurocodes (NEN-EN 1990 t/m 1999) gebruikt worden. Het is hierbij van belang deze normen steeds inclusief de Nationale Bijlage (NB) te raadplegen. 

4.2 Sterkte

Voor de constructieve berekeningen dient de opdrachtgever de volgende gegevens te verstrekken:

  • de ligging in verband met het vaststellen van het wind­gebied;
  • bebouwd of onbebouwd gebied of kust;
  • gebouwhoogte;
  • gebruiksfunctie (bijvoorbeeld woonfunctie, kantoor­functie);
  • situatie t.o.v. eventuele nabijgelegen hoge gebouwen;
  • situatie in relatie met hoogteverschillen in het omringende terrein;
  • eventuele bijzondere belastingen.


De belangrijkste belastingen zijn: winddruk, windzuiging en eigen gewicht van de gevelvulling.

Gevelelementen zijn niet-dragende constructies en mogen dus niet worden belast door de omringende bouwkundige constructie. Op schuin geplaatste gevels (α < 60°) dient ook met sneeuwbelastingen rekening te worden gehouden. Voor het berekenen van de gevelelementen op sterkte wordt voor het bepalen van de windbelasting uitgegaan van de waarden van de stuwdruk uit tabel NB.4 van NEN-EN 1991-1-4 (NB). Deze stuwdrukken dienen te worden vermenigvuldigd met diverse factoren, overeenkomstig NEN-EN 1991-1-4(NB). Ook de verankeringen van VMRG gevelelementen dienen voldoende sterk te zijn om de optredende belastingen volgens NEN-EN 1990 en 1991 af te kunnen voeren.

Voor de berekening van (onderdelen van) de gevelconstructie, moet in principe de gevolgklasse van het gebouw worden aangehouden. Volgens tabel NB.20-B1 van NEN-EN 1990, mogen constructie-elementen in een lagere gevolgklasse worden ingedeeld, als mag worden verwacht dat de gevolgen van bezwijken van een geringere orde zijn.

Voor gevelelementen (stijlen & regels) kan in het algemeen worden uitgegaan van gevolgklasse CC2. Als het gebouw in gevolgklasse CC1 valt (zie tabel NB.21-B1 van NEN-EN 1990), mag voor de gevelelementen  ook worden uitgegaan van gevolgklasse CC1. In incidentele gevallen moet worden uitgegaan van gevolgklasse CC3.

In de (normatieve) bijlage H van NEN 2608 is onder H.2 opgenomen, dat voor vlakglas belast door sneeuw, wind of isochore druk uitgegaan worden van  gevolgklasse CC1 en dat vrijwel alle overige toepassingen in gevolgklasse CC2 vallen. Bij gebouwen die in gevolgklasse CC3 vallen in combinatie met een hoog risico op letsel RL > 10 moet worden uitgegaan van gevolgklasse CC3 voor het glas.

Toelichting voor gevelconstructies:
In verband met de voorwaarde t.a.v. het gewicht in principe alleen van toepassing voor plaatmaterialen op het element, dus veelal:

  • glas, gevelprofielen en verankeringen CC2
  • plaatmaterialen op gevel CC1

Zie ook VMRG publicatie “Gevels en Statica”. 

Naast de windbelasting dient het gevelelement in voorkomende gevallen ook bestand te zijn tegen horizontale belastingen t.g.v. personen en meubilair. Dit geldt voor die gevallen waar het gevelelement ook als kering moet functioneren, waarbij de hoogte tussen de niveaus aan weerszijden groter is dan 1,0 m. In 6.4 van NEN-EN 1991-1-1(NB) wordt hiervoor verwezen naar de bijbehorende bijlagen NB.A en NB.B. Dit zijn een lijnbelasting, puntlast en stootbelasting. Voor de grootte en plaats van de punt- en lijnlast zie bijlage NB.6 in bijlage NB.A.

Teneinde een eenvoudige berekening van de stijlen en regels te krijgen, zijn deze lijnbelasting, puntlast en stootbelasting vervangen door een minimum gelijkmatig verdeelde belasting van 1 kN/m2 (rekenwaarde).

De controle op sterkte bij deze belastingen volgens 6.4 van NEN-EN 1991-1-1(NB) is dus niet noodzakelijk mits gerekend is met deze gelijkmatig verdeelde belasting van 1 kN/m2.

Het glas dient uiteraard wel te worden gecontroleerd bij de belastingen volgens 6.4 van  NEN-EN 1991-1-1(NB).

Voor binnenpuien dient een minimale belasting aangehouden te worden van 0,2 kN/m2. In het geval dat binnenpuien dienst doen als kering, moet echter worden gerekend met bovengenoemde  gelijkmatig verdeelde belasting van 1 kN/m2.

Behalve door deze belastingen kunnen gevelelementen ook worden belast door glazenwasinstallaties, zonweringen e.d.

De opdrachtgever verschaft vooraf de plaats en grootte van eventuele bijkomende belastingen.

Het gevelelement mag niet bezwijken ten gevolge van de windlast, eigen gewicht en/of eventuele andere belastingen. De sterktecontrole kan eventueel langs proefondervindelijke weg plaatsvinden. In NEN-EN 12211 is hiervoor een beproevingsmethode vastgesteld. De vereiste beproevingsdruk moet gelijk zijn aan de berekende waarde volgens NEN-EN 1991-1-4(NB).

In het ontwerpstadium kan de sterktecontrole echter alleen op rekenkundige wijze gebeuren. De rekenwaarden van de materiaalsterktes zijn vermeld in de normen:

  • NEN-EN 1993-1-1(NB): staalconstructies - algemene regels en regels voor gebouwen;
  • NEN-EN 1999-1-1(NB); aluminiumconstructies - algemene regels en regels voor gebouwen;
  • NEN 2608: glas.
     

4.3 Doorbuiging

4.4 Instabiliteit

In elk geval dient nagegaan te worden of er gevaar bestaat voor instabiliteit van de profielen volgens NEN-EN 1999-1-1.

4.5 Stijfheid van beweegbare delen

Voor de doorbuiging van beweegbare delen gelden ook de eisen van 4.3.2 en 4.3.3. Tevens geldt de eis dat de profielen van beweegbare delen voldoende stijf dienen te zijn om de wind- en waterdichtheid te garanderen. Het aantal scharnieren en sluitpunten hangt o.a. af van:

  • De afmetingen van het beweegbare deel;
  • De winddruk op het beweegbare deel;
  • De stijfheid van de profielen;
  • De stijfheid van de ruit;
  • De hardheid van de dichtingsprofielen;
  • De constructie van het beweegbaar deel; (binnen- of buitendraaiend);
  • Het gebruiksdoel;
  • De voorschriften van de profielleverancier.
     

4.6 Sterkte van verbindingen

De sterkte van hoek-, T- en kruisverbindingen moet zodanig zijn dat, zonder blijvende vervorming, de volgende belastingen kunnen worden opgenomen:

  • Wind;
  • Eigen gewicht met vakvulling;
  • Hang- en sluitwerk;
  • Belastingen volgens NEN-EN 1990 en 1991.
     

4.7 Combinatie van metalen

In zijn algemeenheid dient contact van aluminium met andere metalen in de buitenlucht en/of in vochtige omgeving voor­komen te worden. Indien dit toch gebeurt kan er, door elektrolytische werking, contactcorrosie optreden zoals bij aluminium in combinatie met koper en/of lood.

(Onderstaande geldt niet voor hang- en sluitwerk en scharnieren)

Indien aluminium in contact is met de buitenlucht en/of in vochtige omgeving dienen:
- Stalen hulpconstructies, zoals consoles en bevestigingsankers, te zijn voorzien van een zinklaag van minimaal 35 micrometer;
- In aluminium toegepaste bevestigingsmiddelen van aluminium, roestvaststaal of kunststof te zijn, of van het aluminium te worden geïsoleerd.

In alle overige gevallen dienen:
- Stalen hulpconstructies te worden voorzien van een verflaag of een zinklaag van ten minste 10 micrometer;
- In aluminium toegepaste stalen bevestigingsmiddelen minimaal voorzien te zijn van een zinklaag van 5 micrometer.

4.8 Maattoleranties van profielen

De maattoleranties van geëxtrudeerde aluminium hoofdprofielen met de legeringskwaliteit EN-AW 6060 of EN-AW 6063 dienen te voldoen aan NEN-EN 12020-2. De toleranties van de overige aluminium profielen dienen binnen de grenzen van NEN-EN 755-9 te liggen. Van geïsoleerde aluminium profielen moeten de functionele maten liggen binnen de grenzen van de bovengenoemde norm NEN-EN 12020-2.

De maattoleranties van koudvervaardigde stalen gelaste buisprofielen en warmvervaardigde stalen buisprofielen dienen respectievelijk te voldoen aan NEN-EN 12019-2 en NEN-EN 12210-2.

4.9 Maatafwijkingen van bouwkundige constructies

4.10 Glaslatten

Klikconstructies dienen zodanig te zijn uitgevoerd dat na ­minimaal 3x demontage nog steeds voldoende bevestiging gewaarborgd is. Deze eis geldt niet voor speciale constructies zoals inbraak- of brandwerende systemen.

Bij buitenbeglazing en bij VMRG gevelelementen voor binnentoepassing mogen de glaslatten aan de einden niet meer open staan dan 1 mm per zijde, evenredig verdeeld. Bij binnenbeglazing mag dit niet meer zijn dan 0,5 mm per zijde, even­redig verdeeld. Bij brandwerende puien kan hiervan afgeweken worden.

4.11 Maatvoering

De buitenmaten van een VMRG gevelelement inclusief de dagmaten bij een vliesgevel mogen ten opzichte van de nominale maten niet meer afwijken dan plus of min 1,5 mm voor VMRG gevelelementen tot 1 m en plus of min 2 mm voor gevelelementen met grotere afmetingen. Geen van de toleranties mag ten koste gaan van de wind- en waterdichtheid. De maatvoering tussen beweegbare delen en kozijnen moet zodanig zijn dat voldaan wordt aan de functionele eisen.

4.12 Haaksheid

De lengte van de diagonalen van een VMRG gevelelement mag in gebruikstoestand onderling niet meer verschillen dan 3 mm.

4.13 Scheluwte, schrikstijfheid en ­stijfheid tegen scheluwvorming

De beglaasde beweegbare delen dienen vlak te zijn. De scheluwte mag niet meer bedragen dan 3 mm.

De beglaasde beweegbare delen dienen, bepaald overeenkomstig NEN-EN 14608, voldoende schrikstijf te zijn (zakking maximaal 1 mm). De stijfheid tegen scheluwvervorming, bepaald overeenkomstig NEN-EN 14608 van beglaasde beweegbare delen dient aan het navolgende te voldoen: Bij een puntlast van +250 N en -250 N op het midden van een lange zijde van een op drie punten ondersteund beglaasd beweegbaar deel, mag na beproeving geen blijvende deformatie optreden.

4.14 Profielontmoetingen

De verstekken en T-verbindingen dienen zodanig (ge)dicht te zijn, dat blijvend voldaan is aan eisen van luchtdoorlatendheid en waterdichtheid. Bij het stellen van de eisen t.a.v. de profielontmoetingen wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • Profielontmoetingen bij fabrieksmatig samengestelde gevelelementen;
  • Profielontmoetingen bij gelaste gevelelementen;
  • Profielontmoetingen bij op de bouw gekoppelde onderdelen.


Ad 1: Profielontmoetingen bij fabrieksmatig samengestelde gevelelementen:

Bij in de fabriek samengestelde VMRG gevelelementen mag de ongelijkheid van profielontmoetingen, gemeten in het vlak van de pui, bij versteknaden en T-verbindingen niet meer bedragen dan 0,5 mm bij profiel­diepten tot 90 mm.

Ten gevolge van profieltoleranties is het niet in alle gevallen mogelijk aan de eisen ten aanzien van de ongelijkheid van profielontmoetingen te voldoen.

De naden aan de zichtzijden mogen niet groter zijn dan 0,3 mm.

Ad 2: Profielontmoetingen bij gelaste gevelelementen
Profielen die in de hoekverbindingen en T-kruisingen worden gelast, moeten “vlak en strak” afgewerkt worden. Deze wijze van verbinden wordt veelal toegepast bij toepassing van koudgewalste kokerprofielen en/of warmgewalste stalen profielen. Opgemerkt wordt dat na het aanbrengen van het laksysteem de gelaste verbindingen nog zichtbaar (kunnen) zijn.

Ad 3: Profielontmoetingen bij op de bouw gekoppelde onderdelen:
Hieronder vallen vliesgevels, stijl- en regelwerk en op de bouw aan elkaar gekoppelde pui-onderdelen. De speling bij profielontmoetingen moet zodanig gekozen worden dat de werking in verband met temperatuurverschillen ongehinderd kan plaatsvinden, waarbij bewegingen van de bouwkundige constructie, volgens opgave van de opdrachtgever, zonder risico op blijvende gevolgschade gevolgd moeten kunnen worden.

Kieren mogen, exclusief profieltoleranties, niet groter zijn dan 2 mm. Kieren groter dan 2 mm moeten worden afgedicht met een hiervoor geëigend dichtingsmiddel.

4.15 Plaatconstructies

4.16 Hang- en sluitwerk

4.17 Waterhuishouding

Deze paragraaf is niet van toepassing voor binnenpuien.

Het is van belang dat zo veel mogelijk wordt voorkomen dat regenwater in sponningen dringt. Het water neemt vuil mee dat zich in de sponningen afzet. Vuil en water belasten de sponningomgeving zoals afdichtingen en oppervlaktebehandeling.

De volgende maatregelen zijn van belang:

  • Verstekken en aansluitingen van regels op stijlen alsook de onderlinge aansluiting van beglazingsrubbers en dichtingsrubbers moeten van een geschikte, waar nodig elastische, afdichting worden voorzien om binnendringen van regenwater te voorkomen;
  • De beglazingsdruk tussen de glasrubbers en de ruiten of panelen mag niet minder dan 500 N/m bedragen. Ter bescherming van de randverbinding mag bij toepassing van isolatieglas de beglazingsdruk een maximum van 1500 N/m niet overschrijden. Deze waarden gelden ook voor geschroefde glaslijsten over de gehele lengte;
  • Sponningbreedte, glasdikte en de stuik-drukeigenschappen van de beglazingsrubbers dienen op elkaar te zijn afgestemd;
  • Om te voorkomen dat regenwater in sponningen wordt aan­gezogen dient de luchtdruk in de sponningen zoveel mogelijk gelijk te zijn aan de luchtdruk buiten. Daartoe dienen de sponningen voorzien te zijn van beluchtingsopeningen en naar de binnenruimte zo luchtdicht mogelijk te zijn afgewerkt.


De praktijk heeft geleerd dat ondanks de vele voorzorgsmaatregelen er toch regenwater in sponningen kan dringen. Het is derhalve van belang dat dit water zo snel mogelijk en op geschikte wijze wordt afgevoerd. Indien te kleine waterafvoergaten (zie Beglazingssystemen) bovendien als beluchtingsopeningen moeten dienen, ontstaat de situatie dat beluchting niet plaatsvindt omdat de gaten door het water worden afgesloten. Er ontstaat dan een waterkolom boven elk afvoergat. Indien gezien de aard van een sponningconstructie en de waterafvoer zich een waterkolom in de sponning kan opbouwen mag dat nooit tot gevolg hebben dat water komt op plaatsen die daar niet voor zijn ontworpen. Het opbouwen van een waterkolom in de sponning kan voorkomen worden door beluchtingsopeningen boven in de sponning aan te brengen.

Afwateren naar onderliggende gevelelementen is toegestaan mits de waterdichtheid met testresultaten kan worden aangetoond, er gaten in regels zijn opgenomen met voldoende afvoerend vermogen, en de waterhuishouding niet afwatert op of achter de onderliggende vakvullingen.

De volgende maatregelen zijn van belang:

  • Koudgewalste en koudgetrokken kokerprofielen dienen zo goed mogelijk te worden gesloten;
  • Bevestigingsgaten, uitsparingen voor scharnieren, zonweringen, sloten en dergelijke dienen zodanig te worden aangebracht, dat na montage in de stelopening geen of zo weinig mogelijk water in de kokers kan binnendringen;
  • Tijdens vervoer, opslag en in de montagefase kan er soms via bevestigingsgaten en dergelijke water in de kokers binnendringen (bijvoorbeeld tijdens opslag op zijn kant). Wanneer het raam in zijn juiste stand gehouden wordt, moet dit water naar buiten kunnen worden afgevoerd via gaten in de laagste delen van de raamconstructie. Deze gaten kunnen tevens dienst doen als dampontspanningsgaten. Doordat incidenteel regenwater in de kokerprofielen kan binnendringen, kan er inwendig enige lichte corrosie ontstaan. Uit onderzoeken is gebleken dat deze oppervlakkige corrosie, ook op langere termijn, niet schadelijk is voor de constructie. (Rapporten COT nr.1982 B-1470-2 en MCE 82101501 oktober 1982.);
  • Verstekken en aansluitingen van regels op stijlen alsook de onderlinge aansluiting van beglazingsrubbers en dichtingsrubbers moeten van een geschikte, waar nodig elastische, afdichting worden voorzien om binnendringen van regenwater te voorkomen;
  • Om waterinfiltratie onder de ruit en de glaslat te voorkomen, verdient binnenbeglazing de voorkeur. Bij toepassing van buitenbeglazing dienen aluminium glaslatten te worden toegepast;
  • Sponningbreedte, glasdikte en de stuik-drukeigenschappen van de beglazingsrubbers dienen op elkaar te zijn afgestemd;
  • De beglazingsdruk tussen de glasrubbers en de ruiten of panelen moet tussen de 500 en 1500 N/m liggen. Deze waarden gelden ook voor geschroefde glaslijsten over de gehele lengte.
     

4.18 Geprefabriceerde VMRG gevelelementen

Voornamelijk bij hoogbouwprojecten is het aan te bevelen de gevel uit te voeren in geprefabriceerde VMRG gevelelementen. Daarbij dient in de ontwerpfase rekening gehouden te worden met aspecten zoals:

  • Lange voorbereidingstijd;
  • De logistiek tijdens productie, transport en montage;
  • Het gewicht en de montagewijze;
  • De vervangbaarheid van gevelcomponenten;
  • De visuele beleving van maatafwijkingen;
  • De visuele beleving van naden tussen elementen onderling;
  • De waterhuishouding;
  • Wind- en waterdichtheid van aansluitingen tussen gevel­elementen onderling en op het bouwkundig kader;
  • Bouwfysische aspecten bij de bouwkundige aansluitingen;
  • De gevel als gebouwomhulling.
     

4.19 Leidingen

De integratie van installaties in VMRG gevelelementen is niet ongewoon meer voor de gevelbranche. Daarbij kan de VMRG gevelbouwer te maken krijgen met leidingen voor bijvoorbeeld water, elektra, data, etc. Het is van belang dat er duidelijke afspraken worden gemaakt over de werkzaamheden en de verantwoordelijkheden. Een aantal aandachtspunten daarbij zijn:

  • Doorvoeren (i.v.m. brandeigenschappen, luchtdoorlatendheid, geluidsisolatie);
  • Bereikbaarheid voor onderhoud, herstel en/of vervanging;
  • Bestandheid tegen vocht (bijv. kans op corroderen of kort­sluiting);
  • Aansluitingen tussen leidingen onderling en/of op de gebouwinstallatie;
  • Aansluiting op het Gebouw Beheer Systeem (GBS);
  • Aanwezigheid van elektrische spanning op gevelelementen (stroomvragend of stroomleverend);
  • Het aarden van VMRG gevelelementen.

5 Oppervlaktebehandeling aluminium

5.1 Inleiding

In dit onderdeel wordt dieper ingegaan op de oppervlaktebehandeling die aluminium gevelelementen ondergaan. Achtereenvolgens worden de aan het aluminium, coaten, anodiseren en bandgelakt aluminium te stellen eisen behandeld. Tenslotte komt partijkeuring aan bod.

5.2 Algemeen

Aluminium kan om technische en esthetische redenen van een oppervlaktebehandeling worden voorzien.

Om het oorspronkelijk uiterlijk en de kwaliteit van de beschermlaag zo goed mogelijk te behouden, moet aangehecht vuil verwijderd worden. Periodieke reiniging levert dan ook een belangrijke bijdrage tot het verlengen van de levensduur en het behoud van het uiterlijk (zie Technisch en Esthetisch onderhoud).

Het aanbrengen van een oppervlaktebehandeling op aluminium gevelelementen kan gebeuren door coaten en poederlakken, anodiseren of kwalitatief vergelijkbare systemen zoals ­bijvoorbeeld bandlakken bij platen.

Aluminium profielen worden op handelslengte van een oppervlaktebehandeling voorzien. Pas daarna vinden de mechanische bewerkingen zoals zagen, boren, frezen en stansen plaats.

In elk geval moet het toegepaste aluminium uit de juiste legering zijn samengesteld en de voorgeschreven mechanische eigenschappen bezitten.

Het oppervlak van profielen dient na voorbehandeling vrij te zijn van grafietresten en corrosiehuid.

Om een goede kantendekking bij het coaten te krijgen, dienen de hoeken van geëxtrudeerde profielen aan de buitenzijde van de gevels te zijn voorzien van een afrondingsstraal van minimaal 0,5 mm.

De oppervlakteruwheid bij drie metingen van een overigens strak oppervlak mag op plaatsen van trekstrepen niet meer bedragen dan Ra = 5 micrometer bij een testlengte van lt = 15 mm en een basislengte van 2,5 mm volgens NEN-EN-ISO 4287.

Snij- en knipkanten van te lakken plaat voor buitentoepassing mogen vóór de oppervlaktebehandeling geen scherpe kanten en/of bramen bevatten.

Het te behandelen aluminium moet zodanig worden opgeslagen en/of vervoerd, dat vochtvorming of corrosie op het aluminium wordt voorkomen.

5.3 Coaten

5.4 Anodiseren

5.5 Bandgelakt aluminium

Onder bandgelakt aluminium (Coilcoating) wordt verstaan: aluminium dat als vlakke band in een continu proces wordt voorzien van één of meer lagen kunststof, lak of folie. Bij toepassing van bandgelakt aluminium in gezette uitvoering, bijvoorbeeld beplating, is het raadzaam enkele proefstukken te beoordelen op vermindering van de corrosieweerstand. De wijze van bewerken, zoals de grootte van de afrondingsstraal bij zettingen, kan de corrosieweerstand verminderen.

5.6 Partijkeuring

Keuring van een partij geschiedt aan de hand van een steekproef, onder aanname van een normale verdeling van de eigenschappen over de partij. Onder partijgrootte dient te worden verstaan de totale hoeveelheid ter keuring aangeboden producten van gelijke aard of samenstelling.

De keuringsprocedure is gebaseerd op ISO 2859, waarin de steekproefgrootte een functie is van de partijgrootte. Uit de te keuren partij dient aselect het voor de steekproef benodigde aantal stuks te worden getrokken. De steekproefomvang is afhankelijk van de partijgrootte en moet voldoen aan het in onderstaande tabel gestelde.

De partij wordt geacht te voldoen aan de eisen, indien het aantal producten uit de steekproefgrootte dat niet voldoet aan de eisen, kleiner is dan of gelijk aan het toegestane aantal volgens onderstaande tabel.

Steekproefgrootte in relatie tot partijgrootte

5.6 Aluminium_Oppervlaktebehandeling_Steekproefgrootte.jpg

6 Oppervlaktebehandeling staal

6.1 Inleiding

In dit onderdeel wordt dieper ingegaan op de oppervlaktebehandeling van stalen gevelelementen.

Als eerste worden de oppervlaktebehandelingsystemen besproken die mogelijk zijn op staal, zowel voor binnen- als voor buitentoepassing, alsmede voor binnentoepassing in vochtig milieu. Hierna komen de methoden van verzinken en de verschillende coatingsystemen aan bod. Tenslotte worden de eisen genoemd met betrekking tot de test­resultaten van coating, alsmede de eisen met betrekking tot het gecoate product.

N.B.: In tegenstelling tot gelakt aluminium zijn de Qualicoat eisen niet van toepassing op gelakt staal.

6.2 Oppervlaktebehandelingssystemen

1. Oppervlaktebehandelingsystemen voor binnentoepassing in droog milieu
Voor binnentoepassing in droog milieu is een zinklaag op het staal niet vereist.

Behalve de systemen voor buitentoepassing en binnentoepassing in een vochtig milieu is in een droog milieu ook mogelijk:

  1. Industrieel aangebrachte coating op niet-verzinkt staal;
  2. Industrieel aangebrachte grondlaag op niet-verzinkt staal en afgeschilderd in de bouw;


2. Oppervlaktebehandelingssystemen voor buitentoepassing en binnentoepassing in vochtig milieu

Alle stalen gevelonderdelen die met de buitenlucht in aanraking komen of in vochtige omgeving worden toegepast, moeten over het gehele buitenoppervlak worden voorzien van een zinklaag.

De onderstaande systemen zijn o.a. mogelijk:

  1. Zinkspuiten (schooperen) + industrieel aangebrachte coating;
  2. Alleen thermisch verzinken;
  3. Thermisch verzinken + industrieel aangebrachte coating;
  4. Continu verzinkt (sendzimir verzinkt) plaatmateriaal + industrieel aangebrachte coating;
  5. Zinkspuiten (schooperen) met een industrieel aangebrachte grondlaag en afgeschilderd in de bouw;
  6. Thermisch verzinken met een industrieel aangebrachte grondlaag en afgeschilderd in de bouw;
  7. Continu verzinkt (sendzimir verzinkt) met een industrieel aangebrachte grondlaag en afgeschilderd in de bouw.
  8. Zinkepoxy poederprimer + industrieel aangebrachte coating.
     

6.3 Methoden van verzinken

6.4 Industrieel aangebrachte coating

6.5 Prestatie-eisen en keuringsmethoden

Thans worden de eisen genoemd waaraan oppervlaktebehandelingssystemen dienen te voldoen. De prestatie-eisen verschillen in aard en aantal voor producten die binnen in een droog milieu worden toegepast met die welke in een vochtig milieu (buiten of in een vochtig binnenmilieu) worden gesitueerd.

Coating voor binnentoepassing in droog milieu wordt uitsluitend aangebracht door een goedgekeurde applicateur.

Coating voor buitentoepassing en voor binnentoepassing in vochtig milieu wordt uitsluitend aangebracht door een goedgekeurde applicateur.

Een goedgekeurde applicateur levert voor de VMRG gevelelementen uitsluitend een door de VMRG goedgekeurd coating-systeem. Hieronder wordt verstaan: een systeem dat voldoet aan de eisen zoals omschreven in deze paragraaf. Applicatiebedrijven die in het bezit zijn van een geldig QualiSteel coat label èn QualiSteel coatings en coatingsystemen toepassen voldoen eveneens aan deze eis. Een goedgekeurde applicateur wordt daarop gekeurd door een onafhankelijk erkend testinstituut.

Er bestaan poeders met verschillende klassen voor buitenduurzaamheid. Klasse 2 wordt normaal geadviseerd voor buitentoepassingen. Bij klasse 1  ligt de nadruk op mechanische eigenschappen (binnentoepassing). Klasse 3 poeders hebben betere eigenschappen op UV-bestendigheid en glans, ten koste van mechanische eigenschappen. Voor wat betreft de oppervlaktebehandeling van het profiel aan de binnenzijde van een gevel, dat niet is blootgesteld aan weersinvloeden (noch aan een nat binnenmilieu) gelden de eisen ten aanzien van binnenpuien in een droog milieu.

De eisen aan kleur en glans en de punten ten aanzien van hechting, hardheid en stootvastheid blijven onverkort van kracht. Aan de hechting van een eventuele oppervlaktebehandeling van isolatoren (kunststof delen) kunnen geen eisen worden gesteld.

6.6 Prestatie-eisen met bijbehorende testmethode

6.7 Partijkeuring

Keuring van een partij geschiedt aan de hand van een steekproef, onder aanname van een normale verdeling van de eigenschappen over de partij. Onder partijgrootte dient te worden verstaan de totale hoeveelheid ter keuring aangeboden producten van gelijke aard of samenstelling.

De keuringsprocedure is gebaseerd op ISO 2859, waarin de steekproefgrootte een functie is van de partijgrootte.

Uit de te keuren partij dient aselect het voor de steekproef benodigde aantal stuks te worden getrokken. De steekproefomvang is afhankelijk van de partijgrootte en moet voldoen aan het in onderstaande tabel gestelde.

De partij wordt geacht te voldoen aan de eisen, indien het aantal producten uit de steekproefgrootte dat niet voldoet aan de eisen, kleiner is dan of gelijk aan het toegestane aantal volgens onderstaande tabel.

Steekproefgrootte in relatie tot partijgrootte

6.7 Staal_Oppervlaktebehandeling_Partijkeuring.jpg

6.8 Oppervlaktebehandeling RVS

Er zijn verschillende soorten oppervlaktebehandelingen bij RVS mogelijk. De toepasbaarheid van iedere soort oppervlaktebehandeling is o.a. afhankelijk van de constructie. Wij adviseren om hierover in overleg te treden met de leverancier.

7 Glas en andere vakvullingen

7.1 Inleiding

In dit onderdeel wordt dieper ingegaan op de vulling van de vlakken van de VMRG gevelelementen met glas of andere materialen. Achtereenvolgens komen bepaling van de opbouw van glas, glasspecificaties, beglazingssystemen, sponning en steun- en stelblokjes aan de orde. Ten slotte komen veiligheidsbeglazing en de beoordeling van glas bij oplevering aan bod.

7.2 Glas en andere vakvullingen

In verband met de aan de constructie te stellen eisen kan de VMRG gevelbouwer alleen verantwoordelijkheid aanvaarden, indien de beglazing en andere vakvullingen onder zijn verantwoordelijkheid zijn geleverd en aangebracht.

Glas en andere vakvullingen die in gevelelementen worden geplaatst, dienen te voldoen aan de eisen die in NEN 2608 zijn gesteld. Als algemene eis geldt ook hier, dat alle materialen die voor een vakvulling worden gebruikt elkaar niet zodanig mogen beïnvloeden dat hierdoor de geschiktheid voor de gezamenlijke functie vermindert.

Toepassing van beveiligingsbeglazing en brandwerende beglazing moet altijd gebeuren volgens de testrapporten, certificaten of assessments van de toeleveranciers, of volgens de specifiek voor het project uitgevoerde testen.

Voor glas en andere vakvullingen die worden toegepast in gevelelementen met een onderdorpel lager dan 0,85m boven vloerniveau en die grenzen aan vides, trappenhuizen en buitenlucht met een hoogteverschil tot de aangrenzende vloer of aansluitend terrein groter dan 1,0m gelden aanvullende eisen. Indien er voor doorvalbeveiliging geen andere maatregelen zijn getroffen dient de vakvulling in dit geval bestand te zijn tegen een lijnbelasting, een geconcentreerde belasting en een stootbelasting; zie ook bijlage NB.A en NB.B van NEN-EN 1991-1-1(NB).

7.2 glas_scheidingsconstructie.png

Indien aan ramen en/of deuren een eis is gesteld m.b.t. de inbraakwerendheid in een klasse volgens NEN 5096, dient inbraakwerende beglazing te worden toegepast volgens het onderdeel Inbraakwering.

7.3 Bepaling van de opbouw glas

De opbouw van het glas dient overeenkomstig NEN 2608 te worden vastgesteld.

Glas van verschillende dikte en/of samenstelling, maar ook van verschillende leveranciers kan een verschil in kleur hebben. Hierdoor kan de kleurbeleving van verschillende naast of boven elkaar geplaatste  ruiten anders zijn. Dit is een normaal verschijnsel. Daarnaast kunnen er bij glas, dat bijvoorbeeld onder een hoek geplaatst wordt, reflecties optreden die in sommige situaties als hinderlijk worden ervaren. Bij meervoudig glas met grote afmetingen (vanaf circa 3 m2), een lengte:breedte verhouding van maximaal 1:2 (of andersom), en een relatief groot verschil in de glasdikten, kan een hinderlijke tijdelijke beeldvervorming optreden door bolling of holling van de zwakste ruit. Dit ontstaat door uitzetting of krimp van het gas in de spouw van het meervoudig glas (isochore druk). Maatregelen zoals het beperken van slagschaduw over het glasoppervlak, afstand te creëren tussen verwarming en glas (ca. 20 cm of meer), het beperken van koven en door warmteabsorberende vlakken achter het glas te beperken (gordijnen op ca. 15 cm of meer) dragen eveneens bij om het risico op thermische breuk verminderen. Het verdient de voorkeur hierover contact op te nemen met de glasleverancier.

Het uitvoeren van een thermo-stressanalyse kan de risico’s op thermische breuk in kaart brengen.

7.4 Specificaties glas

Voor termen en definities van de gangbare vlakglasproducten, bestemd voor het beglazen van gebouwen, wordt verwezen naar NEN-EN 572-1. NEN 1303 definieert de benamingen voor de bewerkingen van de zijkanten van vlakglas en randen van gaten in vlakglas. De volgende indeling kan worden gehanteerd:

  • Thermische isolatie (Ug);
  • Lichtdoorlatendheid (LT);
  • Zontoetreding (g-waarde);
  • Geluidwerendheid (Rw(C;Ctr), eenheid dB);
  • Brandwerendheid (min.);
  • Letselbeperkend (klasse);
  • Inbraakvertragend (klasse);
  • Kogelwerendheid (klasse).
     

7.5 Beglazingssystemen

In de praktijk worden diverse beglazingssystemen toegepast, die te onderscheiden zijn in:

  • Drukvereffenend beglazingssysteem met droge beglazings­profielen;
  • Drukvereffenend beglazingssysteem met elastische kit.


Bij de drukvereffenende beglazingssystemen wordt uitgegaan van het principe dat na plaatsing van de ruit de omtrekspeling in open verbinding staat met de buitenlucht. De beglazing moet voldoen aan het gestelde in NEN 3576.

Bij de drukvereffenende beglazingssystemen dient de sponning voorzien te zijn van de benodigde beluchtings- en afwateringsgaten. In de onderdorpel met een lengte tot 600 mm dient minimaal 1 opening, in langere onderdorpels dienen minimaal 2 openingen aanwezig te zijn om het eventueel naar binnen gedrongen water naar buiten te kunnen afvoeren. Een opening dient te bestaan uit een gat van Ø 8 mm of een sleuf van 5 x 25 mm.

Afwijkende afmetingen van beluchtings- en afwateringsgaten zijn toegestaan, mits via een keuring is aangetoond dat ze voldoen.

In aanmerking moet worden genomen dat kleinere beluchtings- en afwateringsgaten sneller vervuilen en dus sneller aan onderhoud toe zijn. Voor inspectie, onderhoud en herstel zie NPR 3577.

7.6 Sponning

In NPR 3577 worden aanwijzingen gegeven en eisen gesteld aangaande de sponningvorm, -hoogte en -breedte.

De sponningvorm moet geschikt zijn voor het toegepaste beglazingssysteem. Bij beglazingssystemen met behulp van kit behoort de vorm van de sponning en de glaslat zo te zijn, dat het volledig vullen van de daarvoor bestemde voegen met afdichtingsmateriaal mogelijk is.

Bij beglazingssystemen met droogbeglazingsprofielen mag de sponninghoogte 14 mm bedragen mits het rubberen droogbeglazingsprofiel de randafdichting volledig afdekt, er een netto aanslag is van minimaal 10 mm en een omtrekspeling aanwezig is van minimaal 3 mm.

De eisen die aan de sponninghoogte worden gesteld hebben enerzijds te maken met de toleranties van de glasafmetingen en anderzijds met het beschermen van de glasrandverbinding (butylband), tegen UV-licht. In overleg met de opdrachtgever en met goedkeuring van de glasfabrikant zijn geringere sponninghoogtes toegestaan. Dit speelt met name een rol indien slanke constructies vereist zijn. Bij alle glassoorten, dus ook bij bijzondere glassoorten, zoals kogelwerend of brandwerend glas, dienen de eisen van de glasfabrikant ten aanzien van de benodigde sponningvorm te worden opgevolgd.

In het geval van brandwerende constructies dient te allen tijde het testrapport aangehouden te worden tenzij de regelgeving op dit punt wijzigingen toestaat (Extended applications).

7.7 Steun- en stelblokjes

De steunblokjes zijn bedoeld om het gewicht van het glas over te brengen op de profielen. Om overmatige spanningen op de hoeken van de ruit te voorkomen, behoort de afstand tussen de hoek van het kozijn en de dichtstbijzijnde zijde van het blokje minimaal gelijk te zijn aan de lengte van het blokje, maar nooit minder dan 50 mm, en niet meer dan 25% van de lengte van de ruit. In bijzondere gevallen mag, na overleg met de glasleverancier, de afstand aangepast worden. Bij isolatieglas dienen beide glasbladen volledig ondersteund te worden.

Wanneer de afmetingen van het glasblad dit vereisen, kan het noodzakelijk zijn om deze blokjes boven de vaste punten in het raamwerk (ankers, schuifdeurwielen en dergelijke) te plaatsen. Stelblokjes dienen om de glasruit op zijn plaats te houden en te voorkomen dat de ruit met de sponning in aanraking komt. Het verdient aanbeveling een zelfklevende uitvoering toe te passen.

De minimumlengte van de steunblokjes is 50 mm voor ruiten tot 2 m2; 75 mm voor ruiten van 2 tot 3,25 m2 en 100 mm voor ruiten van 3,25 tot 5 m2. Voor stelblokjes is de minimum lengte 50 mm. Voor beide soorten blokjes is de minimum breedte gelijk aan de dikte van het glas plus de spouw vermeerderd met 2 mm. Bij afmetingen groter dan 5 m² de verwerkingsvoorschriften in overleg met de fabrikant bepalen.

Het verdient aanbeveling met de leverancier van het isolatieglas overleg te plegen over de plaatsingsvoorschriften. Het is noodzakelijk bij geïsoleerde profielen de via de steun- en stelblokjes optredende krachten af te laten dragen aan het ondersteunende metaalprofiel, tenzij de isolator op overbrenging van deze krachten is ontworpen.

De steunblokjes mogen de afwatering en/of beluchting van de sponning niet belemmeren. Bij inbraakwerende gevelelementen verdient het aanbeveling om extra midden-stelblokjes aan te brengen bij het middenslot of sluitpunt en daar recht tegenover in de hangstijl. Meer informatie hierover is te vinden onder Inbraakwering.

Steun- en stelblokjes

7.7 Staal_Glasvulling_Steunblokjes.jpg

7.8 Voorgespannen glas

Thermisch versterkt glas of thermisch gehard glas heeft verbeterde eigenschappen ten aanzien van sterkte en weerstand tegen temperatuurverschillen in de ruit. Er bestaan twee hoofdvarianten: thermisch gehard glas (“toughened”) of thermisch versterkt glas (“heat strengthened”, voorheen ook ‘half voorgespannen’ genoemd). Voorspannen kan door middel van een thermische behandeling of in een chemisch proces, de NEN 2608 spreekt alleen van thermisch versterkt of thermisch gehard glas. Bij breuk van thermisch versterkt glas, blijven de stukken scherfvormig (scherp). Bij breuk van thermisch gehard ontstaan glaskorrels, die hooguit lichte schaaf- of snijwonden veroorzaken. Glas dat wordt voorgespannen moet van tevoren alle mechanische bewerkingen hebben ondergaan (boren, slijpen, etc.). Naderhand is dit niet meer mogelijk, omdat bij het raken van de inwendige, aan trekspanningen onderhevige zone, de ruit in kleine stukjes uiteenspringt. Opgemerkt dient te worden, dat thermisch versterkt glas of thermisch gehard glas minder vlak is dan niet voorgespannen glas.

Het glasproduct kan verontreinigd zijn met nikkelsulfide. Bij thermisch versterkt glas of thermisch gehard glas bestaat door groei van de verontreiniging het risico op spontane glasbreuk. Om dit breukrisico te verlagen kan er een heat-soak test volgens NEN-EN 14179-1 uitgevoerd worden. Deze test kan echter niet honderd procent zekerheid bieden, maar de kans op spontane glasbreuk door nikkelsulfide insluiting wel sterk reduceren. Bij chemisch en thermisch versterkt glas is het risico op spontane glasbreuk nihil. Het Bouwbesluit verwijst naar NEN 2608 voor de eisen, die gesteld moeten worden aan het toepassen van glas. Volgens NEN 2608 dient thermisch versterkt glas of thermisch gehard glas boven de 3,5 meter de beproeving volgens de “Heat-soak”-methode volgens NEN-EN 14179-1 hebben ondergaan. Paragraaf 5.2 van NEN 2608 geeft de mogelijkheid om in sommige gevallen de heat-soak test niet toe te passen, dit heeft echter wel gevolgen voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van die glastoepassing. Het risico op en de gevolgen van spontane breuk moet dan worden beoordeeld. 

7.9 Veiligheidsbeglazing

In het Bouwbesluit worden geen materialen voorgeschreven; het Bouwbesluit stelt immers prestatie-eisen aan gebouwen en/of onderdelen van gebouwen. Gelet op het bovenstaande is het dan ook logisch, dat NEN 3569 “Vlakglas voor gebouwen – Risicobeperking van lichamelijk letsel door brekend en vallend glas” in het Bouwbesluit niet als relevante norm wordt aangewezen. Deze norm wordt echter wel vaak in bestekken genoemd.

Opmerking
Doordat NEN 2608 wordt aangewezen door het Bouwbesluit wordt ook paragraaf 5.1.3(5) van NEN 2608 aangewezen. Deze is daardoor volgens de wet verplicht in zijn toepassing. Deze paragraaf omschrijft dat de toepassing van vlakglas niet mag leiden tot een onevenredige mate van letselschade als gevolg van het bezwijken. Om aan deze eis te voldoen kan NEN 3569 toegepast worden.

Indien het onduidelijk is of NEN 3569 op het desbetreffende werk van toepassing is verklaard, of indien de norm expliciet niet van toepassing is verklaard, dient de VMRG gevelbouwer met de opdrachtgever in overleg te treden en dit schriftelijk te documenteren.

Volgens NEN 3569 moet bij verticaal geplaatst glas (hellingshoek van 80° tot 100° ten opzichte van de horizontaal) letselwerende beglazing worden toegepast conform tabel Vereiste classificatie van het breukpatroon, waarbij onderscheid gemaakt wordt in scheidingsconstructies in gebouwen en ruimten met de volgende gebruiksfuncties:

Indeling gebruiksfuncties

 Categorie  Gebruiksfunctie
A

 1. Niet-gemeenschappelijk deel van een woonfunctie
 2. Niet-gemeenschappelijk deel van een logiesfunctie
 3. Industriefunctie

B

 1. Gemeenschappelijk deel van een woonfunctie Bijeenkomstfunctie
 2. Celfunctie Gezondheidszorgfunctie Kantoorfunctie
 3. Gemeenschappelijk deel van een logiesfunctie Onderwijsfunctie
 4. Sportfunctie Winkelfunctie
 5. Overige gebruiksfunctie
 6. Bouwwerk geen gebouw zijnde

Opmerking: De gebruiksfuncties zijn overgenomen uit het Bouwbesluit 2012, zie bijlage B.

In onderstaande tabel Klasse-indeling van scheidingsconstructies zijn de scheidingsconstructies, waaraan conform NEN 3569 eisen worden gesteld, ingedeeld in klasse I of II.

Vereiste classificatie van het breukpatroon volgens NEN-EN 12600 

Gebuiksfunctie volgens

Klasse volgens tabel 2

I

II

A

2(B)2 of 1 (C)3

-

B

2(B)2 of 1 (C)3

2(B)2 of 1(C)3

 

Klasse-indeling van scheidingsconstructies

7.9 Staal_Glasvulling_Veiligheid_Klasse-indeling.jpg

 

7.9 glas_scheidingsconstructie.png

De samenstelling van hellende beglazing, niet-vierzijdig opgelegde beglazing en doorvalveilige beglazing dient bepaald te worden aan de hand van NEN 2608 en/of NEN-EN 1990 en 1991.

7.10 Beoordeling van glas bij oplevering

Tijdens de bouwfase en de oplevering van een project komen regelmatig vragen, opmerkingen en klachten over hoe glas moet worden beoordeeld en welke normen hierop van toepassing zijn. Deze paragraaf behandeld slechts enkele visuele aspecten en is ter indicatie. Voor een officiële beoordeling dient altijd de betreffende productnorm gehanteerd te worden. Onderstaande is met name bedoeld om vooraf te beoordelen of een klacht terecht is, waarmee onterechte claims bij oplevering voorkomen kunnen worden.

8 Panelen - enkelvoudige metalen gevelbekleding

8.1 Inleiding

8.2 Gevelbekleding

8.3 Oppervlaktebehandeling

Voor de oppervlaktebehandeling van plaatwerk dienen de eisen aangehouden worden die in onderdeel Oppervlaktebehandeling Aluminium of Oppervlaktebehandeling Staal worden weergegeven.

Speciale aandacht dient te worden gegeven aan het mogelijk optreden van esthetische verschillen tussen het plaatwerk (ook onderling) en de profielen van met name anodiseren ten gevolge van de walsrichting en extrusie, alsmede metallic lakken, glansgraad en diversen. Geadviseerd wordt om bij twijfel vooraf te bemonsteren.

De oppervlaktebehandeling dient bij voorkeur te worden aangebracht na het zetten c.q. lassen, behoudens bandgelakt aluminium.

8.4 Productie

Bij de productie van plaatwerk dient rekening te worden gehouden met de verwerkingsvoorschriften conform de fabrikanten (onder andere bescherming, buigradius en lassen).

Toleranties in breedte, hoogte, diepte, scheluwte op de productie van plaatwerk zijn conform de gestelde kwaliteitseisen van de fabrikant.

Tevens dient bij en na productie met onderstaande punten rekening te worden gehouden:

  • Plaatwerk en/of hun verpakking dienen zodanig te worden opgeslagen dat deze niet bloot staan aan te grote globale dan wel lokale belastingen en/of vervormingen, waardoor schade kan ontstaan.
  • Plaatwerk mag nimmer over elkaar worden geschoven en evenmin mag bij het afstapelen deels worden ”nagesleept”. Hierdoor kan beschadiging en/of krasvorming plaatsvinden.


Zetten van aluminium composiet platen
Door middel van freestechnieken kan de plaat worden gevormd.

Detail freesgroef 90 graden (V-vorm) voor hoeken tot 90 graden

8.4 detail_freesgroef_90_graden.jpg


Detail freesgroef 135 graden (V-vorm) voor hoeken tot 135 graden

8.4 detail_freesgroef_135_graden.jpg

8.5 Montage

8.6 Beoordelen van de esthetische kwaliteit

De beoordeling van enkelvoudig metalen gevelbekleding is gelijk aan de beoordeling van gevelelementen, zie onderdeel Montage van VMRG gevelelementen op de bouwplaats - Controle.

8.7 Reiniging en onderhoud

Reiniging en onderhoud is voor enkelvoudige gevelbekleding van goot belang om het materiaal in goede conditie te behouden. De eisen worden in het onderdeel Technisch en Esthetisch onderhoud vermeld.

9 Panelen - sandwichconstructies

9.1 Inleiding

9.2 Constructies

9.3 Delaminatie

Delaminatie is het verschijnsel dat de samenhang tussen twee lagen van een samengesteld product of materiaal verdwijnt. Dit verschijnsel kan plaatsvinden bij lagen van hetzelfde materiaal en van een verschillend materiaal.

Delaminatie kan onder andere ontstaan door:

  • een slechte hechting van de verschillende lagen,
  • een geleidelijke vermindering van de hechting door het ontstaan van vocht of lucht waardoor de hechting vermindert. Bijvoorbeeld door de inwerking van vocht of lucht op de lijm of op het materiaal, door agressieve stoffen die de lijm oplossen of door continue druk op het materiaal,
  • een plotselinge vermindering van de hechting door een plotselinge grote druk op het gelaagde materiaal,
  • vorming van corrosie (roest) van het in het materiaal aanwezige metaal (gecorrodeerd staal neemt meer ruimte in dan het oorspronkelijke staal en drukt het omgevende materiaal in lagen uiteen),
  • vorstinwerking op het materiaal (het water bevriest en neemt meer ruimte in).


Om de delaminatieweerstand (de mate waarin een materiaal bestand is tegen delaminatie) voor een sandwichpaneel (vakvulling) te waarborgen is de volgende VMRG paneleneis gesteld:

Vakvullingen van sandwichpanelen in een VMRG gevelelement hebben minimaal een 90% volledige verlijming.

Bij een sandwichpaneel kan de verlijming worden gemeten door het uitvoeren van een pelproef. Dit betekent dat het sandwichpaneel uit elkaar wordt gescheurd. Hierbij is de eis dat de breuklijn in het kernmateriaal (de isolatie) moet zitten. De breuk mag niet aan de lijmzijde plaatsvinden. De eis van de 90% verlijming kan door de pelproef worden getoetst.

Om een gegarandeerde 90% volledige verlijming te krijgen is er een eis gesteld aan de verlijming van de sandwichpanelen:

Een sandwichpaneel dient volvlak verlijmd te worden. Bij een koude verlijming door middel van een hydraulisch instelbare vlakpers of gelijksoortig, en bij een hotmelt-lijmsysteem met een reactieve PU-lijm doormiddel van een kalanderpers met een minimale druk van 6 bar.

9.4 Thermische isolatie en vochthuishouding

9.5 Geluidwering

9.6 Oppervlaktebehandeling

Voor de oppervlaktebehandeling van sandwichpanelen dienen de eisen aangehouden worden die in het onderdeel Oppervlaktebehandeling Aluminium of Oppervlaktebehandeling Staal worden weergegeven.

Speciale aandacht dient te worden gegeven aan het mogelijk optreden van esthetische verschillen tussen de sandwichpanelen (ook onderling) en de profielen van met name anodiseren ten gevolge van de walsrichting en extrusie, alsmede metallic lakken, glansgraad en diversen. Geadviseerd wordt om bij twijfel vooraf te bemonsteren.

9.7 Brandveiligheid

De brandveiligheidseisen zijn omschreven in het onderdeel Beveiliging - Brandveiligheid. De combinatie van sandwichpanelen met de totale geveldelen dient beschouwd te zijn.

9.8 Productie

Bij de productie van sandwichpanelen dient rekening gehouden te worden met de technische verwerkingsvoorschriften conform de fabrikant (zoals verlijmen, tapen, bescherming, isolatiemateriaal, brandwerendheid).

Toleranties in breedte, hoogte, diepte, scheluwte op de productie zijn conform de gestelde kwaliteitseisen van de fabrikant.

Tevens dient bij en na productie met onderstaande punten rekening te worden gehouden:

  • Sandwichpanelen en/of hun verpakking dienen zodanig te worden opgeslagen, dat deze niet bloot staan aan te grote globale dan wel lokale belastingen en/of vervormingen, waardoor schade kan ontstaan.
  • Sandwichpanelen mogen nimmer over elkaar worden geschoven en evenmin mag bij het afstapelen deels worden ”nagesleept”. Hierdoor kan beschadiging en/of krasvorming plaatsvinden.
     

9.9 Montage

9.10 Beoordelen van de esthetische kwaliteit

De boordeling van sandwichconstructies is gelijk aan de beoordeling van gevelelementen, zie onderdeel Montage van VMRG gevelelementen op de bouwplaats - Controle.

9.11 Reiniging en onderhoud

Reiniging en onderhoud is voor sandwichconstructies van goot belang om het materiaal in goede conditie te behouden. De eisen worden in onderdeel Technisch en Esthetisch onderhoud vermeld.

9.12 Inbraakwering

Indien sandwichpanelen in een inbraakwerende gevel worden toegepast dient deze constructie eveneens beproefd te worden volgens de NEN 5096. Voor een volledige omschrijving van de eisen zie onderdeel Inbraakwering.

10 Glasdaken en daklichtstraten

10.1 Inhoudsopgave

10.1            Inhoudsopgave 
10.2            Europees kader 
10.3            Toepassingsgebied glasdaken
10.4            Veiligheid 
10.4.1                Constructieve veiligheid 
10.4.1.1                     Belastingen algemeen 
10.4.1.2                     Windbelasting 
10.4.1.3                     Sneeuwbelasting 
10.4.1.4                     Eigen gewicht 
10.4.1.5                     Bijzondere belastingen 
10.4.1.6                     NEN-EN 1090 
10.4.2                Brandveiligheid 
10.5            Gezondheid 
10.5.1                Wering van geluid 
10.5.2                Wering van vocht 
10.5.2.1                     Beproevingsmethode waterdichtheid 
10.5.2.2                     Aandachtspunten 
10.5.3                Energiezuinigheid 
10.5.3.1                          Thermische isolatie 
10.5.3.2                          Luchtdoorlatendheid 
10.6            Uitvoering 
10.6.1                Algemeen 
10.6.2                Montage in detail 
10.6.3                Glas 
10.7            Onderhoud

10.2 Europees kader

Er is geen Europese norm voor “Glasdaken”, zoals dat wel is voor vliesgevels (NEN-EN 13830) en deuren en ramen (NEN-EN 14351-1). Glasdaken met een stalen of aluminium draagconstructie vallen wel onder constructieve elementen die voornamelijk door statische lasten belast worden.

Hierdoor is de Europese norm NEN-EN 1090 wel van toepassing op  glasdaken en dient een CE-markering en Prestatieverklaring (DoP) hiervoor afgegeven te worden.

Deze normering is voornamelijk constructief bedoeld en mist voor glasdaken enkele wezenlijke onderdelen. Deze onderdelen staan in onderstaande kwaliteitseisen en adviezen glasdaken verwoord.

10.3 Toepassingsgebied glasdaken

Er zijn een drietal typen te onderscheiden: 

10.3 afbeelding_glasdak2.jpg

Het toepassingsgebied van deze eisen en adviezen glasdaken betreft achteroverhellende uitwendige scheidingsconstructies met een hoek van 0 graden tot en met 80 graden ten opzichte van het horizontale vlak, waarbij glas en/of panelen als vulling gebruikt worden. Bij lagere hellingen wordt vaak gesproken over glasdaken en bij hogere hellingen over schuine glasgevels. Bij een strook spreken we vaak over lichtstroken of dakbeglazing. Voor alle bovengenoemde situaties hanteren we de benaming glasdaken. Kunststof lichtstraten vallen hier niet onder, deze vallen onder NEN-EN 14963. Ook dakramen vallen onder een andere normering, namelijk de NEN-EN 14351-1.

Het glasdak is een uitwendige scheidingsconstructie voor verblijfsruimten en verkeersruimten van alle soorten gebouwen. De criteria zijn ook bruikbaar voor toepassingen zoals atria, overkappingen van stations, ziekenhuizen en winkelpassages, echter met dien verstande dat een aantal eisen, zoals thermische isolatie niet van toepassing hoeft te zijn. In deze kwaliteitseisen en adviezen staan de eisen vernoemd waaraan een glasdak dient te voldoen. Een tweetal aspecten zijn van wezenlijk belang bij glasdaken:

  • Veiligheid
    Zowel beglazing als onderliggende constructie mogen niet bezwijken onder de ontstane lasten.
     
  • Gezondheid
    Uiteraard is waterdichtheid zeer belangrijk bij liggende constructies en dient de onderliggende constructie hierop afgestemd te zijn. Maar ook wering van geluid en de thermische isolatie van een glasdak kunnen zeer belangrijk zijn.
     

10.4 Veiligheid

10.5 Gezondheid

De meeste glasdaken worden opgebouwd door middel van een droogbeglazingssysteem, dit is een methode, waarbij geen gebruik gemaakt wordt van kit. Bij droogbeglazing wordt de afdichting met behulp van flexibele dichting gerealiseerd. De volgende principes van afdichting zijn te onderscheiden:

A Buitendichting
Regenkering, regenwerendheid of waterdichtheid, uitwendige scheidingsconstructie.

B Middendichting
Thermische-hygrische kwaliteit, het voorkomen van koudebruggen en condens en tevens geluidwering.

C Binnendichting
Luchtdichtheid, beperken van warmteverlies.

10.5 detail_glasdak.jpg

10.6 Uitvoering

10.7 Onderhoud

Voor onderhoud wordt verwezen naar de paragraaf Technisch en Esthetisch Onderhoud.

Een belangrijk item bij onderhoud is de bereikbaarheid. Al in het ontwerpstadium zal hierover nagedacht moeten worden. Onderhoud zowel aan binnenzijde als aan buitenzijde.

11 Zonwering buiten

11.1 Inleiding

11.2 Functionele eisen

11.3 Legeringen

11.4 Constructies

11.5 Oppervlaktebehandelingen

11.6 Doek

11.7 Bedieningen

11.8 Bevestigingsmateriaal

11.9 Montage

11.10 Milieuaspecten

11.11 Bedieningsvoorschriften

11.12 Garantie

De standaard garantietermijn van 2 jaar kan in combinatie met een onderhoudscontract worden verlengd worden tot 5 jaar. Het VMRG Zonwering bedrijf geeft u graag meer informatie.

Deze garantieverklaring wordt u bij oplevering verstrekt. Tevens zijn hierin de bediening, onderhoud- en reinigingsvoorschriften voor eindgebruikers opgenomen.

12 Zonwering binnen

12.1 Inleiding

In dit hoofdstuk staan de eisen beschreven waaraan de VMRG Zonwering bedrijven voor binnenzonwering  moeten voldoen. Dit onderdeel bevat een schat aan nuttige informatie. De VRMG geeft hier de huidige stand van zaken omtrent de actuele zonwering- en daglichtregeling weer. De doelgroep voor de VMRG Kwaliteitseisen en Adviezen bestaat uit o.a. opdrachtgevers, architecten, aannemers, onderwijs-instellingen, toeleveranciers, applicateurs, gevelbouwers en VMRG Zonwering bedrijven.

12.2 Functionele eisen binnenzonwering

Rolgordijnen
Verticaal geplaatst rolscherm opgebouwd uit aluminium buis met een diameter variërend van 30 mm tot 62 mm naar gelang de gewenste oppervlakte . Aan weerszijden voorzien van metalen montagesteun welke afgewerkt wordt met een kunststof eindkap.

Bediening geschiedt door middel van een kunststof of metalen parelketting. Het aluminium verzwaringsprofiel aan de onderzijde van het rolscherm kent verschillende varianten: gestoffeerd, vlak, ovaal en rechthoekig.

Naast manuele bediening is er ook een elektrische bediening. Individueel, groep gestuurd of beiden. Accu, 24 volt of 230 volt te activeren door een afstandsbediening of een wandschakelaar. De keuze voor het doek wordt bepaald door de wens van de gebruiker. Verduisterend of licht werend met gradaties van lichtdoorlatendheid van 40% tot 0% al dan niet tot stand gekomen door speciale licht– en warmtereflecterende coatings.

De volgende specificaties behoren tot de mogelijkheden:

  • Vlamvertragend (B1-DIN4102-1, M1-NFP 92503, FR-NFPA 701)
  • PVC vrij
  • Loodvrij
  • Gezondheid, veiligheid (Oeko-Tex Standard 100, Greencard, Cradle to cradle)
  • Gerecycled doek
  • Breeam geschikt


Verticale lamellen
Verticaal geplaatst lamellensysteem opgebouwd uit een boven hangend aluminium extrusieprofiel en zelf stellende runners. Onderling zijn de runners, met lamelpen incl. veiligheidsslip- en rustkoppeling, verbonden dmv afstandhouders uit chroom/nikkelstaal.

Aan deze runners hangen verticale stroken van PVC, textiel of van aluminium. Bediening geschiedt door middel van een kunststof parelketting (draaien van de lamel) en door middel van een trekkoord (opzij schuiven van de lamel). Door het verstellen van de lamelhoek kan naar behoefte direct zonlicht worden geweerd en natuurlijk daglicht worden toegelaten.

De keuze van de lamel wordt bepaald door de wens van de gebruiker. Verduisterend of lichtwerend met gradaties van lichtdoorlatendheid van 40% tot 0% al dan niet tot stand gekomen door speciale licht– en warmtereflecterende coatings.

De volgende specificaties behoren tot de mogelijkheden:

PVC lamel (52, 70, 89, 127, 250mm)

  • Vlamvertragend (M1-NFP 92503)
  • Loodvrij
  • Recyclebaar
  • Breeam geschikt


Textiel lamel (89, 127, 250mm)

  • Vlamvertragend (B1-DIN4102-1, M1-NFP 92503, FR-NFPA 701)
  • PVC vrij
  • Loodvrij
  • Gezondheid, veiligheid (Oeko-Tex Standard 100, Greencard, Cradle to cradle)
  • Gerecycled doek
  • Breeam geschikt


Aluminium lamel (70, 89mm)

  • Vlamvertragend
  • Recyclebaar
  • Breeam geschikt


Horizontale jaloezieën
Verticaal geplaatst jaloeziesysteem opgebouwd uit een bovenhangend aluminium extrusieprofiel, door ladderkoorden gedragen horizontale aluminium lamellen en een onderhangend aluminium extrusieprofiel.

Horizontale jaloezieën kunnen worden voorzien van lamellen van 16, 25, 35 en 50 mm breed.

Bediening geschiedt door middel van een kunststof roede of tuimelkoorden (draaien van de lamel) en door middel van een trekkoord (optrekken/neerlaten van de lamel).

Door het verstellen van de lamelhoek kan naar behoefte direct zonlicht worden geweerd en natuurlijk daglicht worden toegelaten.

Naast manuele bediening is er ook een elektrische bediening. Individueel, groep gestuurd of beiden. Accu, 24 volt of 230 volt te activeren door een afstandsbediening of een wandschakelaar.

De aluminium lamellen hebben een dikte van 0,21 mm (16, 25, 35 mm) of van 0,24 mm (50,70 mm). Ze zijn lichtecht, voorgebold en kras- en buigbestendig.

Plisségordijnen
Verticaal geplaatst geplisseerd scherm opgebouwd uit een boven hangend aluminium extrusieprofiel, een geplisseerde doek en een onderhangend aluminium extrusieprofiel.

Door de slanke profielen en de kleine pakketdikte heeft een plisségordijn een beperkte inbouwomvang.

Bediening geschiedt door middel van een optrekkoord, een eindloze ketting, een handgreep of gemotoriseerd.

Het verplaatsen van de stof kan op verschillende manieren: ofwel sluiten van boven naar beneden, ofwel sluiten van beneden naar boven, ofwel gecombineerd. Het toepassen van 2 stofsoorten behoort ook tot de mogelijkheid.

De keuze voor het doek wordt bepaald door de wens van de gebruiker. Verduisterend of lichtwerend met gradaties van lichtdoorlatendheid van 40% tot 0% al dan niet tot stand gekomen door speciale licht– en warmtereflecterende coatings.

De volgende specificaties behoren tot de mogelijkheden:

  • Vlamvertragend (B1-DIN4102-1, M1-NFP 92503, FR-NFPA 701)
  • PVC vrij
  • Loodvrij
  • Gezondheid, veiligheid (Oeko-Tex Standard 100, Greencard)
  • Breeam geschikt
     

12.3 Legeringen

12.4 Constructies

12.5 Oppervlaktebehandelingen

12.6 Doek

12.7 Waterdichtheid

Geweven zonweringdoek algemeen 
Zonweringdoek is niet waterdicht. Zoals bij elk weefsel zijn er ook hier microporeuze kleine openingen tussen de plaatsen waar de draden zich kruisen. Zonweringdoek wordt met een speciaal voor buitentoepassingen ontwikkelde impregnering water-, vuil- en olieafstotend gemaakt. Daardoor parelen waterdruppels bij een nieuw doek en de juiste helling ongestoord naar beneden. Het effect van deze nabehandeling ( de zgn. appret) neemt door de weers- en omgevingsomstandigheden af en leidt zo na verloop van tijd of bij langere blootstelling aan vocht tot een grotere vochtopname door het zonweringdoek. Als een grotere waterdichtheid vereist is, verdient het aanbeveling om een gecoat weefsel te gebruiken. De naden kunnen bij een klassieke naaimethode ook bijkomend gedicht zijn, terwijl gelijmde naden door het verwerkingsprocedé zelf al waterdicht uitgevoerd zijn.

PVC doekweefsel
PVC doekweefsel is door zijn bijzondere aard duurzaam waterondoorlaatbaar.

Glasvezel en polyester screenweefsels
Screenweefsels uit glasvezel of polyester zijn vanwege hun aard waterdoorlaatbaar. Evenwel bestaan er nu screenweefsels op de markt die door een extra coating waterdicht zijn.

12.8 Weerbestendigheid van het zonweringdoek

Kleurbestendigheid en kleurverschillen bij weefsels en hun nabehandeling
De kleurbestendigheid wordt gemeten aan de hand van normering inzake lichtechtheid en weersinvloeden. De lichtechtheid wordt gemeten volgens ISO-norm 105 B02 en aan de hand van de blauw-wolschaal. Ze moet minstens de waarde 7 halen (hoogste waarde 8). De weersechtheid wordt gemeten volgens de ISO-norm 105 B04, en aan de hand van de grijsschaal. Ze moet minstens de waarde 4 halen (hoogste waarde 5). Na 1.000 uur kunstmatige weersinvloeden wordt de afwijking beoordeeld ten opzichte van de nieuwe toestand en gedocumenteerd in de gegevensfiche van de weefselfabrikant. Bij weefsels overeenkomstig 3.5 gelden dezelfde normen. Het kan voorkomen dat tussen banen kleine kleurverschillen optreden of dat de kleur van het eigenlijke doek iets afwijkt van die van het staal in de collectie. Die verschillen vallen evenwel binnen de algemeen aanvaarde speling en vormen geen reden tot klacht.

Rotbestendigheid en omgevingsinvloeden
Zonweringdoek wordt in de regel uit synthetische vezels vervaardigd. Deze weefsels bevatten geen biologisch afbreekbare elementen. Dat heeft als gevolg dat ze ongevoelig zijn voor rotten. Het afzetten van vuil en organische substanties op het weefseloppervlak, gecombineerd met de vochtigheid vormt een ideale voedingsbodem voor algen- en schimmelculturen. De schimmelwerende nabehandeling kan dat tegenwoordig niet meer volledig verhinderen, omdat door wettelijke regelingen (zie ook EN 13561) voorheen gebruikte chemicaliën nu niet meer toegelaten zijn. Als een doek nat opgerold wordt, kan het vocht dat zich in het weefsel en tussen de weefsellagen bevindt niet opdrogen. Dat leidt enerzijds tot verkleuringen door watervlekken maar ook tot aantasting door schimmels in de vorm van beschimmelde plekken. De nabehandeling tegen het ontstaan van algen- en schimmelculturen kan dat vanwege de verstrengde milieuwetgeving niet volledig verhinderen. Natte doeken versterken ook het “wafeleffect”, dat onder “wafelvorming” beschreven staat. Het is daarom van belang dat de doeken bij de eerstvolgende gelegenheid meteen weer uitgerold worden, zodat ze kunnen drogen. Schade vanwege het niet naleven van deze voorzorgsmaatregel is in de regel onherstelbaar. Ze kan ook geen aanleiding vormen voor klachten.

12.9 Afbeeldingen: foto's en tekeningen

De volgende foto’s en tekeningen zijn bedoeld ter verduidelijking van eerder beschreven punten. Vanwege druktechnische beperkingen kunnen de afbeeldingen van de originelen afwijken. De schaalaanduidingen op de foto’s dienen enkel als houvast en om een idee te geven van de orde van grootte van de verschillende afgebeelde situaties. De maximale grootte van de verschillende fouten kan er niet uit afgeleid worden.

Afbeelding 1: Draadbreuk

11.6.7 Zonwering_Doek_1_draadbreuk.jpg

Toelaatbare korte draadbreuk, verbonden met lichtdoorlaatbaarheid Oorzaak: breken van de schering- of inslagdraad tijdens het weven, als gevolg van spanning.


Afbeelding 2: Ingeweven vreemde vezels

11.6.7 Zonwering_Doek_2_vreemde-vezels.jpg

Toelaatbare ingeweven vreemde vezels. Oorzaak: anders gekleurd draadje dat tijdens het spin- of weefproces mee verwerkt werd.


Afbeelding 3: Verdikking

Zonwering_Doek_3_verdikking.jpg

Toelaatbare verdikkingen. Oorzaak: verdikkingen ontstaan door ophoping van draadresten tijdens het spin-, twijn- of weefproces.


Afbeelding 4: Patroonverschuiving

Zonwering_Doek_4_patroonverschuiving.jpg

Toelaatbare patroonverschuiving bij bedrukte stoffen. Oorzaak: ontstaat technisch als gevolg van het samenvoegen van stofbanen.


Afbeelding 5: Krijt- en streepeffect

Zonwering_Doek_5_Krijteffect.jpg

Toelaatbaar krijt- en streepeffect. Oorzaak: lichte strepen van het impregneermiddel op het weefseloppervlak.


Afbeelding 6: Knik- en vouwstrepen

11.6.7 Zonwering_Doek_6_Vouwstreep.jpg

Toelaatbare knik- en vouwstrepen. Oorzaak: pigmentverschuivingen die ontstaan in de impregnering, door kreuken of vouwen tijdens het productieproces, bij de verzending of de (her)bespanning. Bij stoffen in heldere kleuren zijn ze bijzonder goed zichtbaar.


Afbeelding 7: Draadbreuk in de onderzoom

11.6.7 Zonwering_Doek_7_Draadbreuk-onderzoom.jpg

Niet toelaatbare draadbreuk in de onderzoom. Oorzaak: overbelasting door wind, regen of door gebrekkige verwerking bij het stikken.


Afbeelding 8: Wafelvorming bij de naad

11.6.7 Zonwering_Doek_8_Wavelvorming-naad.jpg

Toelaatbare wafelvorming bij de naad.


Afbeelding 9: Wafelvorming en uitrekken bij de zoom

11.6.7 Zonwering_Doek_9_Wavelvorming-zoom.jpg

Toelaatbare wafelvorming en uitrekken bij de zoom.


Afbeelding 10: Wafelvorming aan een baan

11.6.7 Zonwering_Doek_10_Wavelvorming-baan.jpg

Toelaatbare wafelvorming aan een baan.


Afbeelding 11: Afwijkende roldiameter aan naden en zomen

11.6.7 Zonwering_Doek_11_Roldiameter.jpg

Afwijkende roldiameter aan naden en zomen.


Afbeelding 12: Druk- en rolvouwen

11.6.7 Zonwering_Doek_12_Rolvouw.jpg

Toelaatbare druk- en rolvouwen op de oprolas.


Afbeelding 13: Loop- en oprolplooien

11.6.7 Zonwering_Doek_13_Oprolplooi.jpg

Toelaatbaar optreden van loop- en oprolplooien. Lengteverschil aan naden en zomen tussen een bovenliggende en een onderliggende weefsellaag, bij een omwenteling van het doek rond de oprolas (onafhankelijk van de wikkeldiameter).


Afbeelding 14: Weefsellaag

11.6.7 Zonwering_Doek_14_Weefsellaag.jpg

DTW = diameter oprolas
DG1 = gemiddelde diameter onderliggende weefsellaag
DG2 = gemiddelde diameter bovenliggende weefsellaag
sG = weefseldikte
Omtrek van de onderliggende weefsellaag = DG1 x 3,14
Diameter van de bovenliggende weefsellaag = DG1 + 2 x sG
Omtrek van de bovenliggende weefsellaag = DG2 ​​​​​​​x 3,14
Lengteverschil van de onderliggende ten opzichte
van de bovenliggende weefsellaag = 2 x sG x 3,14

Het lengteverschil tussen de onderliggende en de bovenliggende weefsellaag is enkel afhankelijk van de weefseldikte. Door het verbinden van twee weefsellagen (naad, zoom) wordt het verschuiven ervan geblokkeerd en treden spanningen in het doek op.

Bij acrylweefsel is de weefseldikte sG = 0,5 mm. Per omwikkeling is het lengteverschil bijgevolg 2 x 0,5 x 3,14 = 3,14 mm !

Verklaring van technisch veroorzaakte vouwvorming: dubbel liggen van de weefsels bij naden en zomen.


Afbeelding 15: Doorhangen van het zonweringdoek in de langsrichting

11.6.7 Zonwering_Doek_15_Doorhangen-lang.jpg

 

Doorhangen van het zonweringdoek in de langsrichting. Mogelijke doorhanging van het zonweringdoek.


Afbeelding 16: Doorhangen van het zonweringdoek in dwarsrichting tussen de naden

11.6.7 Zonwering_Doek_16_Doorhangen-dwars.jpg

 

Doorhangen van het zonweringdoek in dwarsrichting tussen de naden. Mogelijke doorhanging van de verschillende stofbanen.


Afbeelding 17: Manipulatievouwen bij zonweringdoek uit polyester

11.6.7 Zonwering_Doek_17_Manipulatievouw.jpg

Manipulatievouwen bij zonweringdoek uit polyester .Oorzaak: onvermijdelijke materiaalbewegingen tijdens de productie en de montage van het doek.


Afbeelding 18: Naadverloop bij lijmmethoden

11.6.7 Zonwering_Doek_18_Naadverloop.jpg

Amper zichtbaar naadverloop bij lijmmethoden (stift toont naadverloop). Bij geen van de lijmmethoden (hotmelt, kleefband) mag de lijm opzij naar buiten komen.


Afbeelding 19: Verkleuring

11.6.7 Zonwering_Doek_19_Doorslaan.jpg

Het zichtbaar doorslaan kan sterker opvallen afhankelijk van het dessin en / of de lichtomstandigheden. Een onregelmatige verkleuring van de naad door lijm (hotmelt) of kleefband is niet toelaatbaar.


Afbeelding 20: Rolvouwontwikkeling bij gekleefde doeken

11.6.7 Zonwering_Doek_20_Rolvouwontwikkeling.jpg

Toelaatbare rolvouwontwikkeling bij gekleefde doeken. Ontstaan van oprolvouwen naar analogie van bij de genaaide doeken.


Afbeelding 21: Uitzicht van een hoge-frequentielasnaad

11.6.7 Zonwering_Doek_21_Hoge-frequentielasnaad.jpg

Toelaatbaar uitzicht van een hoge-frequentielasnaad. Oorzaak: materiaalverdichting bij het lasproces.


Afbeelding 22: Glanseffect

11.6.7 Zonwering_Doek_22_Glanseffect.jpg

Een toelaatbaar glanseffect doet zich voor op de rugzijde van een hoge-frequentie lasnaad. Oorzaak: ontstaat door materiaalverdichting naargelang van het elektroden oppervlak.

12.10 Overzichtstabel van de textielnormen voor zonweringstoffen

Textielnormen

11.6.8 Zonwering_Doek_Textielnormen.jpg

Uitgever: Bundesverband Konfektion Technischer Textilien e.V.

12.11 Bedieningen

12.12 Bevestigingsmateriaal

12.13 Montage

12.14 Milieu en energie

12.15 Bedieningsvoorschriften binnenzonwering

12.16 Garantie

De standaard garantietermijn van 2 jaar kan in combinatie met een onderhoudscontract worden verlengd worden tot 5 jaar. Het VMRG Zonwering bedrijf geeft u graag meer informatie.

Deze garantieverklaring wordt u bij oplevering verstrekt. Tevens zijn hierin de bediening, onderhoud- en reinigingsvoorschriften voor eindgebruikers opgenomen.

13 Behandeling op de bouwplaats

13.1 Inleiding

In dit onderdeel komt de behandeling van gevelelementen op de bouwplaats aan de orde. Achtereenvolgens wordt het transport van de fabriek naar de bouwplaats, de controle bij aflevering, het transport op de bouwplaats, de opslag op de bouwplaats en de te treffen voorzorgen tegen beschadigingen behandeld. Ten slotte komt het herstellen van beschadigingen van VMRG gevelelementen op de bouw aan bod.

13.2 Transport van de fabriek naar de bouwplaats

Evenals andere bouwonderdelen vereisen VMRG gevelelementen een eigen behandelingswijze. Het in acht nemen van voorzorgsmaatregelen draagt bij tot een goed eindproduct. VMRG gevelelementen dienen, zowel bij in- en extern transport alsmede bij (tussen)opslag, op daartoe geschikte transportmiddelen te worden vervoerd en/of opgeslagen. VMRG gevelelementen moeten afdoende tegen beschadiging en vervuiling worden beschermd. Direct contact van de gevelelementen onderling en/of met wanden en/of met bodem moet worden voorkomen.

13.3 Controle

Bij aflevering van de gevelelementen op de bouwplaats dient de opdrachtgever zich ervan te overtuigen, dat de elementen vervaardigd zijn conform de overeenkomst. Verder mogen de gevelelementen geen zichtbare gebreken vertonen.

13.4 Transport op de bouwplaats

Lossen, alsmede horizontaal en verticaal transport op de bouwplaats moet met de nodige voorzichtigheid geschieden. Tijdens deze transporten mogen er geen belastingen voorkomen die de gevelelementen kunnen vervormen of beschadigen. Laden, lossen en opslaan geschiedt voor rekening en risico van de opdrachtgever.

13.4 Hoogbouw.jpg

De opdrachtgever dient in de bouwplanning rekening te houden met extra windverlet bij het transport en de montage van gevelelementen en/of componenten.

13.5 Opslag

De opslagplaats(en) dient(en) vanaf de openbare weg goed bereikbaar te zijn voor normale transportmiddelen. Veel beschadigingen kunnen worden voorkomen door de VMRG gevelelementen deugdelijk in een droge ruimte op te slaan.

Voor opslagruimte komt in aanmerking :

  • Een aparte loods;
  • Een (zee)container;
  • Een aparte ruimte op de vloer van het in aanbouw zijnde gebouw.


Buitenopslag is alleen verantwoord indien ervoor wordt zorg gedragen dat de materialen royaal vrij van de grond staan en voor zover noodzakelijk voldoende zijn afgedekt en belucht. Het verdient aanbeveling de opslag op de bouwplaats over een zo kort mogelijke periode te laten plaatsvinden.

Indien VMRG gevelelementen verpakt worden opgeslagen, moet rekening gehouden worden met eventuele schade veroorzaakt door condensvorming.

13.6 Voorzorgsmaatregelen tegen beschadigingen

De voorzorgsmaatregelen tegen beschadigingen worden mede bepaald door de methode van bouwen, de organisatie van de bouw en in welke fase van de bouw de elementen worden gemonteerd. Het is in elk geval wenselijk dat de opdrachtgever met de VMRG gevelbouwer vroegtijdig overleg pleegt op welke wijze beschadigingen zijn te voorkomen. Dit is van groot belang, omdat sommige beschadigingen (bijvoorbeeld veroorzaakt door metaalslijpsel, boorkrullen, cementwater en lassen) vrijwel niet te herstellen zijn.

Het moet worden benadrukt dat het voorkomen van beschadigingen door het kiezen van een juiste werkmethode of organisatie van de bouw altijd effectiever is dan welk herstel ook. Het verdient daarom aanbeveling de elementen pas te plaatsen na het gereedkomen van de ruwbouw. De detaillering en planning dienen dan ook zodanig te zijn, dat montage in een laat stadium van de bouw kan plaatsvinden.

De opdrachtgever dient tijdens de bouwperiode te voorkomen dat de elementen beschadigd raken.

Wanneer werkzaamheden, zoals betonstorten, metselen, pleisteren en voegen in de onmiddellijke nabijheid van reeds gemonteerde aluminium elementen moeten worden verricht, dienen deze elementen door de opdrachtgever doelmatig te worden beschermd om beschadigingen en/of chemische aantasting te voorkomen.

Cementspatten en/of andere alkalische verontreinigingen dienen onmiddellijk door de opdrachtgever, met ruim water, te worden verwijderd, daar cement, cementwater en/of andere alkalische verontreinigingen oppervlakken, en ook glas, aantasten.

13.7 Herstellen van beschadigingen op de bouw

Het herstellen van beschadigingen op de bouw wordt behandeld in het hoofdstuk Onderhoud.

14 Montage van VMRG gevelelementen op de bouwplaats

14.1 Inleiding

In dit onderdeel wordt de montage van gevelelementen op de bouwplaats behandeld. Achtereenvolgens komen de levering van gevelelementen inclusief montage, de controle na de montage en de oplevering aan bod.

14.2 Levering inclusief montage

Voor het goed functioneren van gevelelementen is de montage van groot belang. VMRG gevelelementen mogen na aflevering niet door onjuiste behandeling en/of montage aan kwaliteit inboeten.

Ter voorkoming van beschadigingen door onjuiste behandeling op het werk, verdient het aanbeveling de montagewerkzaamheden door de VMRG gevelbouwer te laten uitvoeren.

De opdrachtgever zorgt voor zijn rekening en risico voor alle noodzakelijke breek-, hak-, metsel-, tegel-, stukadoors-, beton-, schilderwerk, werkzaamheden aan cv-installaties en dergelijke, alsmede voor beschikbaarheid van steigerwerk een en ander ten genoegen van de VMRG gevelbouwer.

Het leveren en aanbrengen van bevestigingsmiddelen, zoals ankerrails, schroefhulzen en invoegers, alsmede van stelregels en overige voorzieningen, welke noodzakelijk zijn voor de montage van zaken, is voor de rekening en risico van de opdrachtgever.

In geval van locaties waar zware omgevingsfactoren gelden, en er bijzondere factoren nog van toepassing kunnen zijn (bv. in zwembaden of industrie) dient er speciale aandacht gegeven te worden en contact opgenomen te worden met specialisten.

Het bouwkundig kader (inclusief het eventuele stelkozijn) dient voldoende sterk en stijf te zijn om de optredende belastingen volgens NEN-EN 1990 en 1991 af te kunnen voeren. Het dient tevens een lucht- en waterdichte, vlakke, haakse, en scheluwvrije aan­sluiting van VMRG gevelelementen mogelijk te maken.

De montage vindt plaats op basis van door de opdrachtgever goedgekeurde tekeningen. De VMRG gevelbouwer monteert de VMRG gevelelementen niet eerder dan nadat door de opdrachtgever is vastgesteld dat de maatafwijkingen van de relevante bouwkundige constructie binnen de overeengekomen toleranties ten opzichte van de as- en stramienlijnen alsmede peilmaten liggen.

De VMRG gevelelementen dienen, met een maximale afwijking van 1 mm/m1, waterpas, te lood, haaks en vrij van scheluwvorming te worden gemonteerd, dit alles met inachtneming van een tolerantie van ± 3 mm ten aanzien van de as en stramienlijnen alsmede peilmaten. Alle verankeringen voor zover niet vervaardigd uit roestvaststaal of aluminium - dienen afdoende tegen corrosie te zijn beschermd en mogen zelf ook geen aantasting van het gevelelement veroorzaken (zie Combinatie van metalen).

Het aantal, de plaats en de wijze van verankering moet zodanig zijn gekozen dat de krachten, die op het gevelelement worden uitgeoefend, op de bouwkundige constructie worden overgedragen. De plaats en de uitvoering van de ankers of andere bevestigingsmiddelen dient zodanig te zijn gekozen, dat het gevelelement niet door de bouwkundige constructie kan worden belast en dat het element niet door het monteren wordt gedeformeerd. Lengteveranderingen, veroorzaakt door temperatuurwisselingen, moeten ongehinderd plaats kunnen vinden.

De kozijnaansluitingen dienen van een dubbele afdichting te zijn voorzien: een waterkering aan de buitenzijde en een tochtdichting aan de binnenzijde. Deze laatste kan bestaan uit dichtingsprofielen, kit, flexibele PUR of comprimeerbaar band. Waar dichtingsprofielen worden toegepast en waar bewegingen van het kozijn moeten worden opgevangen, dient het vlak waartegen het profiel aanligt, glad en strak te zijn.

Bij bovendorpels moet de voeg zo zijn uitgevoerd dat er geen water op kan blijven staan. Folies of andere vochtweringen die in de bouw aanwezig zijn kunnen bovengenoemde voeg ook afdekken. VMRG gevelelementen mogen niet door een vochtweringsmateriaal, zoals een loodslabbe, worden aangetast.

Doorgaans zijn spouwconstructies zwak geventileerd. Er moet rekening mee worden gehouden dat door krimp buitenlucht kan toetreden vanuit de spouw langs de spouwlatten en/of stelkozijnen. Dit dient te worden voorkomen, bijvoorbeeld door een afwerklat met dichtingsband of kit. Alle benodigde voorzieningen, dus ook spouwlatten en/of stelkozijnen, worden verzorgd door de opdrachtgever.

De dichtingsprofielen van het VMRG gevelelement, die aan de buitenzijde zijn toegepast, worden geacht onder regenbelasting op den duur water door te laten, o.a. door de pompwerking van het gevelelement. In de VMRG gevelelementen dienen derhalve voorzieningen te zijn aangebracht om dit water naar buiten af te voeren.

Principe van de waterkering en luchtdichting

14.2 Aluminium_Montage-VMRG-elementen_.jpg

14.3 Controle

Na de montage dient van elk VMRG gevelelement te worden gecontroleerd of:

  • De beweegbare delen en het hang- en sluitwerk goed en soepel functioneren;
  • De beglazing onbeschadigd is;
  • De aansluitingen op het bouwkundig kader correct zijn uit­gevoerd;
  • Het oppervlak vrij van beschadigingen is, met inachtneming van onderstaande.


Voor binnen geldt een beoordelingsafstand van 3 meter loodrecht op het oppervlak. Voor horizontale vlakken dient de beoordeling plaats te vinden onder een hoek van 15 graden met het oppervlak. Voor buiten geldt: beoordeling vanaf maaiveld binnen een ooghoek van 45° (horizontaal/verticaal) en op een afstand van ten minste 5 meter voor het oppervlak van de gevel. In alle gevallen vindt beoordeling plaats met het ongewapend oog en bij diffuus daglicht.

In het onderstaande voorbeeld is schematisch weergegeven hoe de beoordeling van gevelbekleding plaats moet vinden:

14.3 controle.jpg


Eventuele afwijkingen mogen niet storend zichtbaar zijn. De VMRG gevelbouwer controleert direct na montage elk geplaatst VMRG gevelelement; uiteraard geldt dit niet voor elementen die niet door de VMRG gevelbouwer zijn gemonteerd.

Na montage door de VMRG gevelbouwer zullen de VMRG gevelelementen ‘fabrieksschoon’ worden opgeleverd. Hieronder wordt verstaan het eenmaal verwijderen van in het zicht zijnde kitresten, kitvlekken, raammerken, stickers en sticker-lijmresten op glas, panelen en profielen van de gevelelementen. Zelfklevende folies, aangebracht ter bescherming, dienen zo snel mogelijk verwijderd te worden zodra deze niet meer nodig zijn. Dit ter voorkoming van aantasting van de oppervlaktebehandeling. Het verwijderen van bouwvuil, stof, het wassen en zemen van de VMRG gevelelementen valt niet onder ‘fabrieksschoon’.

14.4 Oplevering (levering met montage)

Direct na montage wordt het werk -eventueel in delen- opgeleverd en gaat de overeengekomen garantietermijn in. Schade, die tijdens de montage ontstaat, en niet is veroorzaakt door de VMRG gevelbouwer, komt voor rekening van opdrachtgever.

14.5 Milieu

15 Voegen tussen VMRG gevelelementen en bouwkundig kader

15.1 Inleiding

In dit onderdeel worden de voegen tussen gevelelementen en het bouwkundig kader behandeld. Na een algemeen stuk komen achtereenvolgens het ontwerp van een voeg, de voegafmeting, kitkeuze en de uitvoering van de voeg aan bod. Tenslotte wordt dieper ingegaan op dichtingsprofielen en ­banden.

Bij de voegen tussen VMRG gevelelementen en bouwkundig kader behoren de voegvorm, voegafmetingen en het gekozen kitmate­riaal goed op elkaar te worden afgestemd. De kwaliteit van de voeg wordt mede bepaald door de werkwijze van het afdichtingsbedrijf.

Het is daarom van belang dat schriftelijke afspraken worden gemaakt tussen opdrachtgever en VMRG gevelbouwer ten aanzien van de toelaatbare toleranties en de maximaal toegestane beweging van de bouwdelen. Indien hiermee in het ontwerpstadium onvoldoende rekening is gehouden, kunnen de voegafmetingen zodanig afwijken dat de toegepaste kit niet meer functioneert.

Voor het vullen van voegen kan gebruik worden gemaakt van plastische, plastisch-elastische en elastische kit. Kitten dienen te voldoen aan de eisen genoemd in NEN-EN-ISO 11600. Onderstaande tabel geeft een indicatie van de duurzaam toelaatbare vervorming van een aantal kitsoorten aan.

Indicatie duurzaam toelaatbare vervorming kitsoorten

15.1 Aluminium_Voegen-Gevelelementen_Kitvervorming.jpg

Voor de juiste waarde van de duurzaam toelaatbare vervorming van bepaalde kitsoorten dient contact met de toeleverancier te worden opgenomen.

15.2 Ontwerp

Het ontwerp van een voeg is afhankelijk van:

  • Het soort materiaal van de voegvormende elementen
  • De te verwachten temperatuursverschillen
  • De wijze van verankering
  • De voegafmetingen


Daarnaast is de soort voeg van belang. We onderkennen vier soorten:

  1. Stuikvoeg
  2. Overlapvoeg
  3. Hoekvoeg
  4. Drievlaksvoeg


Voegsoorten

15.2 Aluminium_Voegen-Gevelelementen_Voegsoorten.jpg

Zoals uit onderstaande schets blijkt, is een drievlakshechting voor een kitvoeg sterk af te raden. De voeg verliest hierdoor aan vervormbaarheid. Scheuren in het kitmateriaal zullen dan makkelijk ontstaan.

Drievlaksvoeg

15.2 Aluminium_Voegen-Gevelelementen_DrieVlaksVoeg.jpg

De gewenste oplossing kan slechts worden gerealiseerd door er zorg voor te dragen, dat de kit niet op de voegbodem kan hechten. Hiertoe dient op de voegbodem een rugvulling of een hechtingsbelemmerende folie te worden aangebracht. Zelfklevende folie waaraan geen kit hecht is hiervoor geschikt.

Een kitvoeg kan optimaal functioneren indien de hechtvlakken evenwijdig ten opzichte van elkaar lopen. Een gekitte overlapvoeg met de vereiste tussenruimte kan grotere bewegingen verdragen dan een stuikvoeg. Indien bewegingen opgenomen moeten worden, kan geen hoekvoeg worden toegepast. Weersinvloeden beïnvloeden de levensduur van een kitvoeg.

Kitvoegen moeten dusdanig worden ontworpen en aangebracht, dat water niet op het bovenvlak van de voeg kan blijven staan.

Door gebruik te maken van een rugvulling kan men bij diepe voegen de voegdiepte goed reguleren. Een goed klemmende ronde rugvulling zal tegendruk geven bij het inspuiten van de kit. Hierdoor kan men een goede aanhechting op de voegwanden verwachten.

In veel gevallen is het nodig om, alvorens tot het kitten over te gaan, een primer (voorstrijkmiddel) te gebruiken. Er dient wel opgelet te worden dat dit geen vlekken geeft. De voorschriften van de toeleverancier dienen ook hier te worden opgevolgd.

Het is van belang bij het ontwerpen van een gevel een goede bereikbaarheid van de voegen na te streven. Alleen dan kunnen eisen gesteld worden aan de juiste wijze van voorbehandeling van de voegen en aan het correct aanbrengen van de kit. Dit is ook in het belang van later onderhoud.

15.3 Voegafmetingen

Het functioneren van een kitvoeg is afhankelijk van de eigenschappen van het kitmateriaal in samenhang met de functie van de voeg zoals beloopbare voegen, akoestische voegen, brandbeperkende voegen, gevelvoegen benevens voegen tussen gevelelementen en bouwkundig kader. De keuze van de kit dient hiermede in overeenstemming te zijn. Bijvoorbeeld in verband met de overschilderbaarheid, de slijtvastheid en de chemische weerstand.

Voegafmeting

15.3 Aluminium_Voegen-Gevelelementen_Voegafmeting.jpg

Bij het bepalen van de voegafmeting dient eerst bepaald te worden welke voegbewegingen kunnen optreden. De grootte van de te verwachten beweging is vast te stellen met behulp van de thermische lineaire uitzettingscoëfficiënt van de gebruikte materialen. Indien men te maken heeft met een voeg tussen gevelelement en bouwkundig kader, is het voldoende alleen rekening te houden met de beweging van het gevelelement.

Het spreekt vanzelf dat met de te verwachten beweging, als gevolg van temperatuurverschillen, rekening moet worden gehouden. Als de voegbewegingen zijn berekend, kan de kitsoort worden bepaald aan de hand van de eerder genoemde tabel met duurzaam toelaatbare vervormingen. Het verdient aanbeveling om in overleg met de toeleverancier van de kit en de opdrachtgever de definitieve keuze te maken.

Bij het toepassen van twee componentenkit moet een menging van beide componenten tot een homogeen mengsel plaatsvinden volgens opgave van de toeleverancier. Indien overlapvoegen in de constructie voorkomen, kan de maximaal toelaatbare beweging 1,5x groter zijn dan bij stuikvoegen, die met hetzelfde type kit gevuld zijn.

De minimale voegbreedte voor elastische kit bedraagt 8 mm, voor plastisch-elastische kit 9 mm en voor plastische kit 10 mm.

De vereiste voegdiepte is:

  • Elastische kit: 1/2 van de breedte + 3 mm;
  • Plastisch-elastische kit: 1/2 van de breedte + 4,5 mm;
  • Plastische kit: 1/2 van de breedte + 6 mm.

Voor nadere informatie zie “VNVI Factsheet afdichtingskitten”.

In verband met de grote belastingen en de levensduur verdient het aanbeveling om voor het samenvoegen van profielen plastisch-elastische of elastische kit te gebruiken. Indien vanwege de te verwachten bewegingen een kitvoeg niet mogelijk is, kunnen afdekplaten of overlapvoegen worden toegepast.

15.4 Uitvoering

De temperatuur van het object alsmede de omgevingstemperatuur moet hoger zijn dan + 5°C en lager dan + 30°C tenzij de kitfabrikant andere informatie verschaft. De hechtvlakken dienen in de door de toeleverancier voorgeschreven toestand te verkeren.

Voor het realiseren van de juiste voegdiepte kan open of gesloten cellen rugvulling gebruikt worden. Open cellen materiaal moet worden aangebracht met een overdruk van 75-100% en gesloten cellen materiaal met een overdruk van ca. 50% om voldoende tegendruk te kunnen bieden tijdens het aanbrengen van de kitmassa. Gesloten cellen materiaal moet met stomp gereedschap worden aangebracht om beschadigingen en blaasvorming in de kit te voorkomen. Het bovenstaande is slechts een algemene gedachtebepalende instructie. 

De verwerkingsvoorschriften van de kitleverancier dienen altijd te worden nageleefd.

15.5 Dichtingsprofielen of -banden

Een steeds groter toepassingsgebied vinden de rubberachtige dichtingsprofielen en de kunststof dichtingsbanden. Indien dichtingsprofielen worden toegepast, zijn de raamprofielen veelal van een rubberbevestigingskamer voorzien. Kunststof dichtingsbanden zijn er in grote verscheidenheid, zoals:

  • Met open of gesloten cellen;
  • Niet- en zelfklevend;
  • Geïmpregneerde schuimzwelbanden.


Het aanbrengen van de dichtingsprofielen en/of -banden dient zodanig te geschieden, dat ook na verloop van tijd geen openingen of lekkages ontstaan. Het materiaal mag bijvoorbeeld niet opgerekt en om hoeken getrokken worden. De toe te passen materialen dienen verouderingsbestendig te zijn. In verband met het goed functioneren van de voegafdichtingen dient men rekening te houden met de ruwheid van de voegwanden.

Profielen van massief rubber dienen te voldoen aan de eisen conform NEN-ISO 3934 en NEN-ISO 5892. Schuimbanden dienen te voldoen aan de eisen conform NEN 3413.

16 Beveiliging

16.1 Brandveiligheid

16.2 Inbraakwering

16.3 Explosiewering

Met betrekking tot Explosiewerendheid zijn de volgende normen van toepassing op ramen, deuren en luiken

  • NEN EN 13123-1: Ramen, deuren, luiken- Bestandheid tegen explosies - Eisen en classificatie - deel 1 schokbuis
  • NEN EN 13123-2: Ramen, deuren, luiken- Bestandheid tegen explosies - Eisen en classificatie - deel 2 veldtest
  • NEN EN 13124-1: Ramen, deuren, luiken- Bestandheid tegen explosies - Beproevingsmethode - deel 1 schokbuis
  • NEN EN 13123-2: Ramen, deuren, luiken- Bestandheid tegen explosies - Beproevingsmethode - deel 2 veldtest


Indien Explosiewerendheid vereist wordt, dient altijd een deskundige te worden ingeschakeld!

16.4 Kogelwering

Met betrekking tot kogelwerendheid zijn de volgende normen van toepassing op ramen, deuren en luiken:

  • NEN EN 1522: Ramen, deuren, luiken-Kogelwerendheid-Eisen en classificatie
  • NEN EN 1523: Ramen, deuren, luiken-Kogelwerendheid-Beproevingsmethode
  • NEN EN 1063: Glas voor gebouwen- Beveiligingsbeglazing-Beproeving en classificatie van de kogelwerendheid.


Indien kogelwerendheid vereist wordt, dient altijd een deskundige te worden ingeschakeld!

17 Technisch en Esthetisch Onderhoud

17.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt het onderhoud van gevelelementen ter behoud van de garantie behandeld. Er wordt uitgegaan dat de gevelelementen zijn voorzien van een oppervlaktebehandeling ter verduurzaming van de materialen. Door het uitvoeren van regelmatig esthetisch en technisch onderhoud van de gevel, is onder normale omstandigheden de levensduur van tientallen jaren haalbaar. De frequentie van de reiniging, bescherming en de toepassing ervan op de verschillende toegepaste materialen komen verderop aan bod.

Het is een dringende aanbeveling van de VMRG om de VMRG gevelbouwer bij het ontwerpproces te betrekken ten aanzien van onder andere het materiaalgebruik, de oppervlaktebehandeling, de vorm van de geveldelen en over alle onderwerpen die van invloed kunnen zijn op het aantasten van de esthetische en technische waarde.

In dit onderdeel worden zowel ‘Technisch onderhoud’ als ‘Esthetisch onderhoud’ behandeld. Bij het laatste is de verdeling gemaakt tussen ‘Reiniging’ en ‘Beschermend en conserverend onderhoud’ (soms kort genoemd ‘bescherming’). Dit is gedaan omdat beide wezenlijk verschillen waar het gaat om passende en geoorloofde producten, technieken en specialisten. De onderhoudsspecialist is de VMRG gevelbouwer die het VMRG Keurmerk voert en de garantie geeft. De VMRG gevelbouwer kan samenwerken met een door hem aan te wijzen onderhoudsbedrijf of een door hem goed te keuren onderhoudsbedrijf voor advies en/of het uitvoeren van technisch en/of esthetisch onderhoud.

Technisch onderhoud houdt in dat materialen en hun werking regelmatig dienen te worden gecontroleerd op hun prestaties. Aan slijtage onderhevige delen, zoals te openen ramen, deuren, mechanische aandrijvingen en dergelijke, moeten, om een langdurige optimale werking te waarborgen, periodiek worden gecontroleerd en onderhouden met inachtneming van toepassing en gebruik.

Esthetisch onderhoud, ofwel reiniging, bewassing en bescherming zijn altijd projectgebonden en dienen altijd in relatie tot de locatie, de vormgeving, het materiaal, de situering (weerszijde), de omgeving, de actuele esthetische status etc. ten opzichte van het origineel te worden beoordeeld en behandeld.

Reiniging geschiedt op basis van controlerend en corrigerend of degradatie beperkend onderhoud. Hierbij wordt een indicatie gegeven van de frequentie van reiniging de frequentie wordt in de praktijk bepaald door de gekozen materialen, de detaillering van het gebouw en de mate van milieubelasting. Dit alles met het behoud van VMRG garantie. Zonder een adequate reiniging zal de gevel op termijn niet meer de uitstraling hebben, zoals deze werd opgeleverd. Schade, esthetische degradatie en diepe vervuiling geven een gevoelsverlies van de kwaliteit. Tevens kan degradatie van de esthetische waarde gevolg hebben voor de technische waarde.

Verschillende materialen in de gevels hebben wezenlijk verschillende karakteristieke eigenschappen met betrekking tot benodigde reiniging en bescherming met behoud van esthetische waarde.

Met betrekking tot de gevel en de gevelelementen zijn er aspecten die de kwaliteit kunnen beïnvloeden. Tijdens het gevel(technisch) ontwerpstadium dient met deze aspecten rekening gehouden worden:

  • Oppervlakten die lang nat blijven vervuilen sneller;
  • Naden en kieren (profilering/detaillering) houden vocht en vuil vast;
  • Moeilijk en niet veilig bereikbare gevels zijn lastig schoon te maken;
  • Natuurlijke bewassing kan invloed hebben op de mate van vervuiling;
  • Horizontale delen worden zwaarder belast dan verticale delen.
     

17.2 Gebouwbeheer

17.3 Technisch onderhoud

Naast het reinigen en bewassen van gevelelementen zijn er vaak ook bewegende delen in de gevels. Zoals voor alle bewegende delen geldt ook hier dat er bovenmatige slijtage zal optreden indien er geen vakkundig periodiek onderhoud wordt gepleegd. Daarom dient onderhoud preventief te worden uitgevoerd. Indien er geen onderhoud wordt gepleegd en er wordt gewacht tot er schade optreedt, zullen de kosten die dan ontstaan vaak een veelvoud zijn in vergelijking met de kosten voor preventief onderhoud.

De VMRG gevelbouwer voert technisch onderhoud en controles zelf uit of werkt samen met een door hem aan te wijzen onderhoudsbedrijf of een door hem goed te keuren onderhoudsbedrijf.

17.4 Esthetisch onderhoud

18 VMRG Garantie- en aansprakelijkheidsregeling

18.1 Inleiding

Onder deugdelijkheid wordt verstaan: het voldoen aan de eisen genoemd in de VMRG Kwaliteitseisen en Adviezen®.

Onder VMRG Kwaliteitseisen en Adviezen® wordt verstaan: VMRG Kwaliteitseisen en Adviezen®, inclusief eventuele aanvullingen, zoals deze luiden drie maanden voor de datum van het sluiten van de overeenkomst.

18.2 Garantie

  • Opdrachtnemer staat voor een periode van vijf jaar na (op)levering in voor de goede uitvoering van de overeengekomen prestatie.
  • In afwijking van de in lid 1 genoemde periode van 5 jaar, zal de garantietermijn op ventilatieroosters en hang- en sluitwerk 1 jaar bedragen.
  • Gebruikt opdrachtnemer bij de uitvoering van zijn prestatie  door derden toegeleverde materialen of diensten dan strekt de garantie van opdrachtnemer aan opdrachtgever zich in geen geval verder uit dan tot de garantie die opdrachtnemer verkrijgt van zijn leverancier of onderaannemer.
  • Bestaat de overeengekomen prestatie uit aanneming van werk  dan staat opdrachtnemer voor de in lid 1 genoemde periode in voor de deugdelijkheid van de geleverde constructie en de gebruikte materialen, mits hij vrij was in de keuze daarvan. Als blijkt dat de geleverde constructie of de gebruikte materialen niet deugdelijk zijn, zal opdrachtnemer naar zijn keuze deze herstellen of vervangen of opdrachtgever crediteren voor een  evenredig deel van de factuur.
  • Bestaat de overeengekomen prestatie alleen uit levering van een zaak dan staat opdrachtnemer gedurende de in lid 1 genoemde periode in voor de deugdelijkheid van de geleverde zaak.
    Als blijkt dat de levering niet deugdelijk is geweest, dan moet de zaak franco aan opdrachtnemer worden teruggezonden. Daarna zal opdrachtnemer de keuze maken of hij:
    • De zaak herstelt;
    • De zaak vervangt;
    • Opdrachtgever crediteert voor een evenredig deel van de factuur.

         De eventueel gemaakte reis-, verblijf- en/of transportkosten komen voor rekening van opdrachtgever.

  • Behalve als opdrachtgever een consument is, dat wil zeggen iemand die niet handelt in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf, komen de kosten van vervanging of herstel voor rekening van opdrachtnemer tot ten hoogste dat deel van het factuurbedrag (exclusief omzetbelasting) dat betrekking heeft op  de vervaardigings- en montagekosten van het desbetreffende onderdeel, dan wel tot de garantie die opdrachtnemer verkrijgt van zijn leverancier of onderaannemer. De verdeling van de waarde van het geleverde is, tenzij anders overeengekomen, in procenten van het factuurbedrag als volgt:
    a.    Werkvoorbereiding           10%
    b.    Profielen en plaatwerk      30%
    c.    Oppervlaktebehandeling  10%
    d.    Afdichtingen                      5%
    e.    Glas en panelen                20%
    f.    Hang- en sluitwerk e.d.     10%
    g.    Overige materialen            5%
    h.    Algemene kosten              10%
           
    Voor de kosten van montage wordt een vast percentage van 10% van het factuurbedrag gerekend, d.w.z. dat de genoemde percentages van het factuurbedrag elk met 10% worden verminderd.
  • Opdrachtgever moet opdrachtnemer in alle gevallen de gelegen­heid bieden een eventueel gebrek te herstellen of een defect (onder)deel te vervangen. Opdrachtgever zal opdrachtnemer het gebruik van aanwezige energie, hijs-, hef- en transportwerktuigen, steigers, glazenwasinstallaties en dergelijke om niet toestaan.
  • De garantie gaat pas in wanneer opdrachtgever ten opzichte van opdrachtnemer aan al zijn verplichtingen heeft voldaan. Door opschorting van de ingangsdatum van de garantie, wordt de einddatum van de garantie niet gewijzigd.
  • Door herleveren, vervangen of herstellen wordt de garantie­termijn niet verlengd of vernieuwd.
  • Geen garantie wordt gegeven voor gebreken zoals, of gebreken die het gevolg zijn van:
    a. Verwering en/of normale slijtage;
    b. Onoordeelkundig of abnormaal gebruik;
    c. Het ontbreken van onderhoud of reiniging overeenkomstig hetgeen daaromtrent in de VMRG Kwaliteitseisen en Adviezen®, zoals deze gelden drie maanden voor het sluiten van de overeenkomst is opgenomen;
    d. Installatie, montage, wijziging, reparatie of toevoegingen door opdrachtgever of door derden;
    e. Kleine onvolkomenheden in de afwerking, die geen afbreuk doen aan de deugdelijkheid;
    f. Vormveranderingen in bouwkundige constructies,  van  niet  op  de  juiste  wijze  uitgevoerde  bouw-,  herstel-, reinigings- of andere werkzaamheden of van het gebruik van voor het doel ongeschikt(e) materia(a)l(en);
    g. Onvoorziene, tijdelijke of blijvende, schadelijke invloed(en) van het milieu;
    h. Zaken, materialen, werkwijzen en constructies, welke afwijken van de in de VMRG Kwaliteitseisen en Adviezen® genoemde voorschriften, eisen en adviezen, voorzover deze op uitdrukkelijke instructie van opdrachtgever zijn toegepast;
    i. Door of namens opdrachtgever geleverde materialen;
    j. Filiforme corrosie;
    k. Kleurverschillen en/of glansverlies overeenkomstig hetgeen daaromtrent in de VMRG Kwaliteitseisen en Adviezen®, zoals deze gelden drie maanden voor het sluiten van de overeenkomst, is opgenomen;
    l. Gebreken die bij de (op)levering geconstateerd hadden kunnen worden;
    m. Invloeden van buitenaf, welke tijdens of na (op)levering zijn ontstaan;
    n. Het aanbrengen of gebruiken van zonweringen, glazenwasinstallaties, ladders en dergelijke;
    o. (Thermische)glasbreuk of de toepassing van (spiegel)draadglas;
    p. Warmtebelasting boven de 70°C;
    q. Kitwerk, behalve voor wat betreft waterdichtheid;
    r. Afdichtingsprofielen (E.P.D.M.), behalve voor wat betreft de flexibiliteit.
     

18.3 Aansprakelijkheid

  • Opdrachtnemer is aansprakelijk voor schade die opdrachtgever lijdt en die het rechtstreeks en uitsluitend gevolg is van een aan opdrachtnemer toe te rekenen tekortkoming. Voor vergoeding komt echter alleen in aanmerking die schade waartegen  opdrachtnemer verzekerd is, dan  wel  redelijkerwijs verzekerd had behoren te zijn.
  • Niet voor vergoeding in aanmerking komen:
    a. Bedrijfsschade waaronder bijvoorbeeld stagnatieschade en gederfde winst;
    b. Opzichtschade. Onder opzichtschade wordt onder andere verstaan schade die door of tijdens de uitvoering van het aangenomen werk wordt toegebracht aan zaken waaraan wordt gewerkt of aan zaken die zich bevinden in de nabijheid van de plaats waar gewerkt wordt;
    c. Schade veroorzaakt door opzet of bewuste roekeloosheid van hulppersonen.
  • Opdrachtgever vrijwaart opdrachtnemer voor alle aanspraken van derden wegens productenaansprakelijkheid als gevolg van een gebrek in een product dat door opdrachtgever aan een derde is geleverd en dat (mede) bestond uit door opdracht­nemer geleverde producten en/of materialen.
     

18.4 Besteksomschrijving

De metalen gevelelementen dienen te voldoen aan de vigerende VMRG Kwaliteitseisen en Adviezen®, aan te tonen door middel van een geldig VMRG Keurmerk®.

19 CE-markering van gevelelementen

19.1 Inleiding

De Nederlandse bouwregelgeving wordt steeds meer beïnvloed door Europa. Ook worden er steeds meer Europese regels van toepassing verklaard op de levering van bouwproducten. Zo moeten vliesgevels voorzien zijn van CE-markering. Voor niet-brandwerende ramen, deuren en puien is deze eis op 1 februari 2010 verplicht geworden. Brandwerende ramen, deuren en puien zullen later volgen. In dit onderdeel wordt beschreven hoe de VMRG gevelbouwer de VMRG gevelelementen kan voorzien van CE-markering.

19.2 CE-markering

CE-markering is een paspoort voor een product dat in de gehele Europese Unie (EU) geldig is. Het behandelt alle wettelijke eisen die de relevante geharmoniseerde (d.w.z. van toepassing verklaard in alle landen van de EU) normen stellen. Voor vliesgevels is dit NEN-EN 13830. Voor niet brand- en rookwerende ramen, buitendeuren en buitenpuien is dit NEN-EN 14351-1.

De VMRG heeft als standpunt dat VMRG gevels en gevelelementen geen rol hebben bij de constructieve eigenschappen en eisen van een gebouw. Derhalve acht zij de EN 1090 en aanverwante normdocumenten niet op de gevel van toepassing. Deze producten zijn ook uitgesloten in de hEN 1090-1. 

Producten die aan de scope van een andere geharmoniseerde Europese norm voldoen, kunnen niet aan de EN 1090 moeten voldoen. Zo zijn bijvoorbeeld vliesgevels (hEN 13830) geen onderdeel van de dragende constructie van een gebouw, dus geen onderdeel van hEN 1090.

Bij bepaalde producten van VMRG bedrijven kan er wel sprake zijn van een constructieve functie zoals expliciet aangeven in de EN 1090 zoals serres e.d. dan luidt de huidige interpretatie dat deze wel vallen onder de EN 1090.

Let op: Als men aan de hEN 1090 moet voldoen dan betekent dit voor het betreffende bedrijf dat het productieproces vooraf gecertificeerd moet zijn door een Notified Body.

Nationale regelgeving dient te worden aangepast indien deze tegenstrijdig is met de Europese regelgeving. Om CE-markering in te kunnen voeren zijn derhalve alle testmethodes en procedures in de gehele EU op elkaar afgestemd.

Alle VMRG gevelelementen zullen (indien vereist) voorzien zijn van CE-markering. De VMRG gevelbouwer verstrekt aan de afnemer van VMRG gevelelementen een Declaration of Performance-verklaring (DOP-verklaring).

CE-markering is van toepassing op gevelelementen die de fabriek verlaten, maar is niet van toepassing op de montage of installatie. Daarom zal de VMRG gevelbouwer bij de levering van een VMRG gevelelement documenten leveren, waarin de prestaties van het gevelelement beschreven staan en verklaard worden (CE-markering en DoP-verklaring). Met behulp van deze documenten kan dan eenvoudig worden bepaald of het desbetreffende gevelelement geschikt is om te worden toegepast in het bouwwerk. De waarden die aangegeven zijn in de CE-markering, de DoP-verklaring en commerciële publicaties, worden door de VMRG beschouwd als ideaaltypische waarden. Deze waarden zijn veelal verkregen vanuit ideale testomstandigheden.

De VMRG gevelbouwer realiseert met de CE-gemarkeerde producten in de praktijk gevels met prestaties die voldoen aan het Bouwbesluit of hoger.

Ook stelt de EU eisen aan de mate van zekerheid dat het desbetreffende product ook de opgegeven prestaties haalt. Voor niet-brandwerende vliesgevels, ramen, deuren en puien is dit niveau 3 (Attestation of Conformity (AoC)). Dit wil zeggen dat er een Initiële Type Test (ITT) moet plaatsvinden onder supervisie van een Notified Body (certificatie instelling). Daarna mag de VMRG gevelbouwer, die intern een systeem van IKB (Interne Kwaliteit Bewaking) hanteert, zelf verklaren wat de prestaties zijn van het desbetreffende gevelelement. Voor brandwerende gevelelementen en vluchtdeuren is AoC niveau 1 vereist. Dit impliceert dat ook de productie onder toezicht staat van een Notified Body (certificatie instelling).

19.3 ITT-testen

Om de prestaties van een gevelelement te bepalen dienen er laboratorium testen en/of berekeningen op een prototype te worden uitgevoerd. Dit prototype dient representatief te zijn voor de gehele reeks gevelelementen die op basis van dit prototype worden gemaakt. Voor de prestaties kan gebruik worden gemaakt van de classificatie tabel die in de desbetreffende normen zijn weergegeven. Voor bijvoorbeeld vliesgevels is dit tabel Classificatie uit NEN-EN 13830.

De Initiële Type Test en de bepaling van de prestaties van een gevelelement hoeft slechts éénmaal te worden uitgevoerd bij aanvang van de productie onder CE-markering. De VMRG gevelbouwer kan garanderen dat de daadwerkelijke geproduceerde producten, ook na verloop van tijd, nog steeds voldoen aan de bepaalde prestaties uit de Initiële Type Test. Indien benodigd kan de VMRG gevelbouwer besluiten om aanvullende testen of berekeningen uit te voeren, zoals bijvoorbeeld bij modificaties van een bepaald gevelsysteem.

Als de prestatiebepalende onderdelen van een gevelsysteem ongewijzigd blijven, is het niet nodig om aanvullende testen uit te voeren.

Classificatie tabel uit NEN-EN 13830

19.3 Aluminium_CE-markering_Classificatie_tabel_uit_NEN-EN_13830.jpg


De Initiële Type Test (ITT) mag bij iedere Notified Body (certificatie instelling) in geheel Europa worden uitgevoerd mits deze is erkend door de EU. Een lijst van deze Notified Bodies kan hier worden gevonden. Overigens dient te worden opgemerkt dat niet voor de bepaling voor alle karakteristieken een Notified Body ingeschakeld hoeft te worden. De prestaties voor sommige karakteristieken mag een VMRG gevelbouwer zelf bepalen. In de desbetreffende norm staat aangegeven om welke karakteristieken het gaat.

De VMRG gevelbouwer hanteert een systeem van Interne Kwaliteit Bewaking (IKB). Hierdoor waarborgt de VMRG gevelbouwer de traceerbaarheid van de geleverde producten.

De Initiële Type Test kan in opdracht van drie verschillende partijen worden uitgevoerd:

  1. De VMRG gevelbouwer;
  2. Een aantal VMRG gevelbouwers gezamenlijk;
  3. De systeemleverancier.


De specifieke zaken die bij ieder van deze drie mogelijkheden aan de orde komen, worden in de volgende subparagrafen uitgewerkt.

19.4 Documenten: CE-markering en 'Declaration of Performance'(DOP)

20 Milieuaspecten

20.1 Inleiding aluminium

Binnen dit onderdeel worden verschillende invalshoeken met betrekking tot de hedendaagse milieu aspecten behandeld waarmee VMRG gevelelementen worden beoordeeld. In de eerste paragraaf komt aluminium als basismateriaal aan bod. Daarna wordt er gekeken naar de recycling van aluminium en de hieraan gelieerde stichting AluEco. Vervolgens komen milieuclassificeringsmethoden als LCA (Levens Cyclus Analyse) en MRPI (Milieu Relevante Product Informatie) aan bod.

20.2 Het basismateriaal aluminium

Aluminium is, na zuurstof en silicium, het meest voorkomende element op aarde. Ca. 8% van de aardkorst bestaat uit aluminium. Dit aluminium is echter in natuurlijke staat gebonden met zuurstof tot bauxiet. De grootste hoeveelheden (bruikbaar) aluminiumerts of bauxiet worden gevonden in tropische gebieden (Indonesië, Guinee, West-Afrika, Brazilië, Suriname en Australië).

Het produceren van aluminium uit bauxiet is een proces waar veel energie voor nodig is. Aluminium wordt uit bauxiet gewonnen door elektrolyse waarvoor circa 15 kWh/kg nodig is. Echter, meer dan 60%, wordt uit “schone” energie middels waterkrachtcentrales opgewekt. Hierdoor is de milieubelasting klein. Ook is door verbeteringen in het productieproces de energiebehoefte de laatste jaren met 30% afgenomen. Vanwege de lage omsmelttemperatuur van aluminium is het toepassen van gerecyled vele malen efficiënter. Omsmelten aan het eind van een levenscyclus kost slechts 5% van de energie die nodig is voor het produceren van aluminium uit bauxiet. Dit proces is bovendien eindeloos te herhalen zonder dat er kwaliteitsverlies optreedt.

20.3 Recycling van aluminium

Vanwege het feit dat aluminium bouwproducten een zeer lange levensduur hebben heeft het geruime tijd geduurd voordat het aanbod van gebruikt aluminium voor het recyclen groot genoeg was om van een serieuze recyclingketen te kunnen spreken. Tegenwoordig wordt in Nederland meer dan 95% van alle bouwaluminium gerecycled en dit percentage groeit nog steeds. Dit betekent dat eenmaal gewonnen aluminium ongeveer 20 keer wordt hergebruikt.

Het begin van de recyclingsketen wordt gevormd door slopers en inzamelaars van gebruikt bouwaluminium en procesresten. Hier wordt het aluminium ontdaan van toevoegingen als glas, rubber en overige materialen. Tevens wordt in dit stadium aluminium plaatmateriaal gescheiden van geëxtrudeerd aluminium vanwege het verschil in legering. Het aluminium wordt geleverd aan een zogenaamde “remelter”; een gespecialiseerd bedrijf dat aan de hoogste milieunormen moet voldoen. De remelter smelt het aluminium bestemd voor extrusie om in zogenaamde billets of ingots en het aluminium voor platen in walsblokken die op hun beurt weer dienen als grondstof voor nieuwe extrusie profielen en platen. Deze billets en walsblokken dienen vervolgens als grondstof voor de leveranciers van aluminium architectuursystemen. Uiteindelijk zijn het de fabrikanten van ramen, deuren en gevels die, met het installeren van hun producten in de bouw, de keten sluiten.

Op deze wijze is de recyclingketen van aluminium gesloten zonder dat er kwaliteitsverlies optreedt.

Alle VMRG leden zijn in het bezit van het AluEco-certificaat en dragen zo bij aan het in stand houden van deze recyclingketen.

20.4 Stichting AluEco

Om garantie te bieden dat gebruikt bouw-aluminium gerecycled wordt tot nieuwe, hoogwaardige bouwproducten is de Stichting AluEco opgericht door de Vereniging van Aluminium Systeemleveranciers (VAS) en de VMRG. Hedentendage is het mogelijk -en dat is ook een doelstelling van de partners van de Stichting AluEco- om aluminium voor 100% te recyclen. Het lidmaatschap van AluEco staat open voor alle organisaties die de doelstelling van de stichting onderschrijven en hierin hun maatschappelijke verantwoording nemen.

Logo Stichting AluEco

20.4 AluEco_Logo_JPG.jpg

20.5 LCA en NMD

De VMRG heeft onderzoek laten uitvoeren naar de milieu-eigenschappen van aluminium gevelelementen. De methode die wordt gebruikt is gebaseerd op de levenscyclusanalyse (LCA). Deze methode wordt door meerdere toeleveranciers in de bouw gebruikt, en de resultaten worden opgenomen in de Nationale Milieu Database. Een van de uitgangspunten hierbij is dat een aluminium gevelelement tenminste 75 jaar mee gaat en dat 95% door recycling wordt teruggewonnen. Hierdoor is de totale periode waarin dit aluminium deel uit maakt van de gevel 1500 jaar. Voor de bepaling van de LCA gegevens zijn vijf referentiekozijnen gedefinieerd. Deze milieugegevens van deze kozijnen kunnen per vierkante meter worden berekend, welke methode gelijk is aan de berekeningsmethode vanop die manier wordt er ook gerekend in de duurzaamheid tools zoals BREEAMen LEED. De uitkomsten van dit onderzoek staan in tabellen Milieuprofiel en Milieumaten van het aluminium kozijn. Informatie over de fasen van de levenscyclusanalyse zijn aangegeven in de gelijknamige tabel.

Referentiekozijnen

20.5 referentiekozijnen.jpg
 

Voorbeeld van een milieuprofiel

20.5 milieuprofiel.jpg

Er is voor de invulling van de referentiekozijnen gekozen voor een bepaald profielsysteem. Per kozijn is het meest gangbare systeem gebruikt.

Bij de bezochte bedrijven waar milieugegevens zijn verzameld is een uitwerking gemaakt van dit systeem waarbij het geschetste kozijn is gedimensioneerd. Op basis daarvan zijn de benodigde hoeveelheden van met name het aluminium en ook de overige materialen vastgesteld. Indien deze exercitie bij een ander bedrijf uitgevoerd zou worden voor het systeem zou men tot hetzelfde resultaat komen. Er is dus sprake van een vaste samenstelling van het kozijn binnen de branche. Er is dus sprake van vastgestelde samenstellingen van de kozijnen binnen de branche. een vaste samenstelling van het kozijn binnen de branche. De leverancier heeft alle benodigde materialen voor het kozijn opgegeven.

Elk kozijn is opgebouwd uit meerdere materialen. Per kozijn is aangegeven welke materialen dit zijn en daarbij is aangegeven wat de gewichten per kozijn zijn.

Materialen en gewichten van de materialen in het aluminium kozijn

20.5 Aluminium_Milieu_Fasen_Gewichten-Materialen.jpg

In de LCA is de productie van de materialen in bovenstaande tabel meegenomen. Ook de verwerking van de materialen na afdanking is meegenomen. Omdat er voor een bepaald systeem is gekozen liggen de hoeveelheden die nodig zijn vast.

20.6 Inleiding staal

In dit onderdeel worden verschillende invalshoeken met betrekking tot de hedendaagse milieuaspecten behandeld waarmee VMRG gevelelementen worden beoordeeld. In de eerste paragraaf komt staal als basismateriaal aan bod. Daarna wordt er gekeken naar hergebruik en recycling van staal en cradle to cradle.

20.7 Het basismateriaal staal

Staal is een legering bestaand uit ijzer en koolstof. IJzer wordt gewonnen uit ijzererts. Dit gebeurt door verhitting tot een zeer hoge temperatuur, tot boven het smeltpunt van ijzer, in een gesloten oven, na toevoeging van een reduceermiddel om het metaal uit zijn oxide te winnen. Meestal wordt koolstof als reduceermiddel gebruikt. De term staal wordt met name gebruikt voor ijzerlegeringen met een zodanig beperkt koolstofgehalte of gehalte aan toevoegingen als chroom, dat ze warm vervormd kunnen worden. Hierin onderscheidt staal zich van bijvoorbeeld gietijzer, dat een hoger koolstofgehalte heeft.

Er zijn veel verschillende legeringen met deze twee elementen, meestal ook met andere bestanddelen. De wereld kent vandaag de dag ongeveer 2500 verschillende soorten staal. Mede hierdoor en door de uitstekende bewerkbaarheid is staal een veel gebruikt constructiemateriaal. Het koolstof wordt gebruikt om een hoge treksterkte en hardheid te verkrijgen. Wereldwijd wordt er jaarlijks ongeveer 900 miljoen ton staal geproduceerd.

20.8 Hergebruik en recycling van staal

Het verschil tussen hergebruik en recycling is dat bij hergebruik het product in zijn toepassing opnieuw wordt gebruikt, terwijl bij recycling het staal omgesmolten wordt tot een nieuw of ander staalproduct. Hierbij is hergebruik qua materiaalenergie het voordeligst. Materiaalenergie is de energie voor productie en montage tot en met de energie die het slopen kost. Aangezien staal demontabel is, kan het vaak makkelijk worden hergebruikt. Daarnaast is al het staal recyclebaar, ook wanneer het verzinkt of gecoat is. Centraal bij recycling staat het inzamelen van gedemonteerde stalen producten. Dit ‘schroot’ wordt wereldwijd ingezameld en verwerkt. Beide staalproductieprocessen (de hoogoven en de smeltoven) smelten dit schroot om naar vloeibaar staal. Wereldwijd wordt 45% van het staal gemaakt uit schroot. Dat (nog) niet al het staal uit schroot wordt gemaakt, komt door het feit dat de vraag naar staal hoger is dan wat vrijkomt uit schroot. Het maken van staal uit schroot kost 45% minder energie dan het maken van staal uit ijzererts. In Nederland wordt 87% van alle stalen kozijnen gerecycled.

20.9 Staal en Cradle to Cradle (C2C)

Bij C2C is ‘afval’ voedsel voor het nieuwe product in een volledig gesloten kringloop. Dit is in feite recycling en voor staal al jaren dagelijkse praktijk. Daarnaast is kenmerk van C2C ook upcycling wat inhoud dat met dat ‘afval’ ook hoogwaardiger producten te maken zijn.

Veel bouwmaterialen worden bij sloop gedowncycled. Staal is een bouwmateriaal dat geschikt is voor upcycling. Concreet is uit laagwaardig schroot staal te maken met een hogere sterkte door het materiaal een speciale walsbehandeling te geven (zogenaamd thermomechanisch walsen).

21 Zonne-energie

21.1 Inleiding

De zon geeft een enorme hoeveelheid energie af in de vorm van straling. Jaarlijks valt er circa 174000 TW (terawatt) op de aarde, terwijl ons huidige energieverbruik ongeveer 12,5 TW bedraagt. Over Nederland wordt vaak gedacht dat zonne-energie niet efficiënt is aangezien hier te weinig zon schijnt gedurende het hele jaar. Dit is echter een misvatting. In één jaar ontvangt Nederland een energiehoeveelheid van de zon die gelijk staat aan 500 keer onze jaarlijkse elektriciteitsbehoefte en 60 keer onze jaarlijkse energiebehoefte. De producten die zonne-energie opwekken zijn in te delen in twee hoofdrichtingen. Deze tweedeling berust op het type energie dat wordt opgewekt. Met zonnecollectoren kan men warmte opwekken om bijvoorbeeld water te verwarmen. Met behulp van zonnepanelen kan men zonlicht omzetten in elektriciteit. Het grote verschil zit dus in het benutten van de warmte of het benutten van het licht van de zon. Het opwekken van warmte uit zonne-energie wordt ook wel thermische zonne-energie genoemd. Het opwekken van elektriciteit wordt ook wel het photovoltaïsche proces genoemd.

21.2 Zonnepanelen

Een zonnepaneel, ook wel een photovoltaïsch- of PV-paneel genoemd, is een elektrische cel die lichtenergie omzet in bruikbare elektrische energie. Hiertoe wordt een groot aantal photovoltaïsche cellen op een (glas)paneel gemonteerd. Er zijn diverse celtypen ontwikkeld. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van verschillende celtypen en hun eigenschappen.

Zonneceltypen

21.2 Aluminium_Zonne-Energie_Celtypen.jpg

Zonnecellen kunnen op twee manieren worden toegepast: autonoom of netgekoppeld. Autonome systemen bestaan uit zonnecellen, accu’s en een laadregelaar. Als de zon schijnt, wordt elektriciteit geproduceerd, die wordt verbruikt door apparaten of wordt opgeslagen in accu’s.

Een netgekoppeld PV systeem bestaat uit de volgende onderdelen:

  • PV-panelen, die zonlicht omzetten in elektriciteit (gelijkstroom)
  • Bekabeling en (bij grotere systemen) koppelkasten voor transport van de elektriciteit
  • Omvormer of inverter, een apparaat dat de opgewekte gelijkstroom omzet naar wisselstroom.


Bij netgekoppelde systemen produceren de PV-panelen gelijkstroom, die door een omvormer wordt omgezet in bijvoorbeeld 230V wisselstroom. De omvormer is gekoppeld aan de normale elektrische installatie van het gebouw. Indien zonnepanelen worden geïntegreerd in gebouwen spreekt men over BIPV (Building Integrated Photovoltaics).

21.3 Zonnecollectoren

Bij actieve thermische zonne-energiesystemen wordt de energie van de zon omgezet in warmte in een zonnecollector. In Nederland worden zonnecollectoren vooral toegepast voor het verwarmen van tapwater. Het systeem van collector en opslag wordt een zonneboiler genoemd. Er zijn diverse zonneboilersystemen op de markt die ieder hun eigen opbouw kennen.

Zonnecollectoren voor ruimteverwarming komen veel minder voor, omdat de behoefte aan ruimteverwarming het grootst is in de wintermaanden en de opbrengst dan relatief laag is. De aandacht voor de combinatie van tapwaterverwarming en ruimteverwarming is wel groeiend.

Een zonneboilersysteem bestaat uit de volgende componenten:

  • een collector
  • het voorraadvat
  • de naverwarming (tapwater tot een temperatuur van 60 °C)
  • het warmte-afgiftesysteem (bij ruimteverwarming).


Er zijn tal van systemen beschikbaar. Ieder systeem stelt zijn eigen eisen aan de plaatsing en montage van de collector, het voorraadvat en de leidingen. Integratie van zonnecollectoren dient met zorg te gebeuren. Daarom is het raadzaam om al in een vroeg stadium van het ontwerpproces te overleggen met een specialist/leverancier voor een optimaal resultaat.

22 BIM

BIM is het delen van informatie tussen de verschillende bouw- en productiepartners. Hiervoor zijn echter wel duidelijke afspraken nodig over het proces, de betekenis van informatie, de vorm, de uitwisseling en het formaat. Vanuit de VMRG zijn er een BIM Uitvoeringsplan en BIM Protocol ontwikkeld die aansluiten op de reeds bestaande documenten vanuit de Bouw Informatie Raad (BIR).

Dit VMRG Model BIM Uitvoeringsplan is mede gebaseerd op: 
- ISO 19650-1 Organization of information about construction works -- Information management using building information modelling -- Part 1: Concepts and principles; 
- ISO 19650-2 Organization of information about construction works -- Information management using building information modelling -- Part 2: Delivery phase of assets; 
- ISO 29481-4 Building information models -- Information delivery manual -- Part 2: Interaction framework. 

Deze normen zullen waarschijnlijk ook worden geaccepteerd als Europese EN-normen, die vervolgens door de nationale normalisatie-instituten van de EU-lidstaten moeten worden overgenomen. Door hierop te anticiperen, sluit dit Model BIM Uitvoeringsplan bij voorbaat aan op de Europese normalisatie en regelgeving op het gebied van BIM. Tevens is hiermee bereikt dat dezelfde BIM-concepten en begrippen worden gebruikt als in andere Europese landen (zoals o.a. Duitsland, de UK en de Scandinavische landen).

Het Digitale Bouw-, Beheer- en Gebruiksproces

22.1 BIM Uitvoeringsplan

Het BIM Uitvoeringsplan is om succesvolle toepassing van BIM in een het project te borgen. In het Uitvoeringsplan zijn de afspraken vastgelegd die de projectpartners hebben gemaakt (en nog zullen maken) om tenminste op de BIM-levermomenten te voldoen aan de informatiebehoeften van de opdrachtgever (OG). De OG definieert deze levermomenten (data drops) en bijbehorende informatiebehoeften. Het BIM Uitvoeringsplan is/wordt opgesteld door de BIM Regisseur voor het project. De BIM regisseur wijst – indien van toepassing – een centrale BIM-coördinator aan.

Ieder bedrijf dat (of iedere discipline die) deel uitmaakt van het ontwerp- en/of uitvoeringsteam, benoemt een eigen bedrijfsinterne BIM Coördinator voor het project. Deze bedrijfsinterne (of discipline-) BIM Coördinatoren communiceren direct met de BIM Regisseur en/of de centrale BIM coördinator en leveren vanuit de eigen discipline inbreng in dit BIM Uitvoeringsplan. De BIM Coördinatoren zijn ervoor verantwoordelijk dat de input van hun bedrijfsinterne projectteams wordt geleverd conform de afspraken uit dit BIM Uitvoeringsplan. 
De afspraken, eisen en aanbevelingen uit dit BIM Uitvoeringsplan zijn op alle partijen van toepassing die betrokken zijn bij het produceren, gebruiken, controleren of raadplegen van BIM-informatie binnen dit project, inclusief de opdrachtgever en eventuele gebruikersorganisaties. 
Wanneer om welke reden dan ook wijzigingen in vastgestelde (BIM-)afspraken noodzakelijk zijn, zal de BIM Regisseur zich inspannen om consensus te bereiken over de gewijzigde afspraken alvorens ze door te voeren in het BIM Uitvoeringsplan.

Het BIM Uitvoeringsplan is gerelateerd aan de contractuele bepalingen met betrekking tot BIM (in casu het BIM Protocol en de ILS), maar maakt zelf geen deel uit van de contractdocumenten. Bij eventuele discrepanties tussen het BIM Uitvoeringsplan en de contractdocumenten, prevaleren de contractdocumenten. 
Het actuele BIM Uitvoeringsplan is hier te downloaden.

22.2 BIM Protocol

Het BIM Protocol maakt deel uit van de Overeenkomst tussen Opdrachtgever en opdrachtnemer(s). Het BIM Protocol bevat informatie en voorwaarden aanvullend op de Overeenkomst ten aanzien van de verplichtingen en aansprakelijkheden van Opdrachtgever en Opdrachtnemer(s) met betrekking tot te leveren BIM-modellen en/of -data, alsmede het gebruik en het eigendom van die modellen en/of data. Het actuele BIM protocol is hier te downloaden.

22.3 Informatie Leveringspecificaties (ILS) Gevelproducten

Een ILS omvat heldere afspraken over het uitwisselingsformaat, de te hanteren basisstructuur en het borgen van objectinformatie voor gevelproducten. De ILS Gevelproducten heeft tot doel informatie over gevelproducten vanuit prestatiemodellen en productiemodellen gestructureerd en eenduidig uit te kunnen wisselen. De ILS Gevelproducten heeft betrekking op ramen, deuren, vliesgevels en enkelvoudige gevelbeplating en moet toepasbaar zijn voor alle partijen aangesloten bij de VMRG.

De actuele ILS gevelproducten zijn hier binnenkort te downloaden.