2 Functionele eisen

2.1 Inleiding

In dit onderdeel worden de verschillende functionele eisen behandeld die aan VMRG gevelelementen worden gesteld. Naast enkele algemene zaken worden de bouwfysische eigenschappen van gevelelementen behandeld. Vervolgens komen enkele specifieke eisen van speciale producten aan bod. Voor de opdrachtgever is het o.a. van belang dat de VMRG gevelelementen voldoende beschutting bieden tegen weersinvloeden en geluidsoverlast en dat beweegbare delen goed te bedienen zijn.

Voor het vaststellen van de toetsingsdruk met betrekking tot de luchtdoorlatendheid en waterdichtheid is de ligging van het gebouw in Nederland bepalend. Voor de luchtdoorlatendheid / waterdichtheid alsook het vaststellen van de winddruk voor het berekenen van de sterkte geldt de indeling volgens NEN-EN 1991-1-4(NB). Deze norm geeft voor windsnelheidsgebied I en II de indeling in “bebouwd”, “onbebouwd” en “kust”.

Voor binnenpuien geldt alleen het gestelde onder Bediening van sluitwerk; voor winkelpuien en entreepartijen zoals hardglazen deuren, (automatische) schuifdeuren, tourniquets, vouwwanden, schuifwanden alsmede trafodeuren geldt het onder Winkelpuien, entreepartijen en trafodeuren gestelde. Deze waarden gelden voor ramen en deuren met een rondom doorlopend kader.

2.2 Luchtdoorlatendheid

De luchtdoorlatendheid van VMRG gevelelementen is van invloed op het comfort in een ruimte en op de energiezuinigheid van een gebouw. Voor wat betreft het comfort is het van belang dat onder extreme omstandigheden ofwel bij grote luchtdrukverschillen (storm) de gevelelementen niet te veel lucht doorlaten. Voor wat betreft de energiezuinigheid is het van belang, dat de luchtdoorlatendheid bij kleine drukverschillen, te weten 10 Pascal, gering is. Een geringe luchtdoorlatendheid bij 10 Pascal heeft immers een positief effect op de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC) van een gebouw.

Hieronder zal op beide facetten nader worden ingegaan, zowel voor ramen en deuren, als voor vliesgevels. Tevens wordt ingegaan op de gegevens bij CE-markering.

2.2.1 Luchtdoorlatendheid bij 10 Pa conform het Bouwbesluit

Algemeen
Het Bouwbesluit stelt uit oogpunt van energiezuinigheid een eis aan de mate van luchttoetreding door naden en kieren. Als eis geldt, dat bij een drukverschil van 10 Pa niet meer dan 0,2 m3/s (720 m3/h) lucht mag toetreden naar het totaal van verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten van een gebruiksfunctie, gerelateerd aan een inhoud van 500 m3 (Qv10-waarde). In dit verband is het dan ook van belang de mate van luchttoetreding te kennen door naden en sluitnaden bij een drukverschil van 10 Pa.

Onder naden wordt verstaan de ontmoeting tussen glas en het kozijn of de glaslat, alsook de ontmoeting tussen het kozijn en de glaslat. Bij buitenbeglazing bedraagt de naadlengte 1x de glasomtrek; bij binnenbeglazing 2x de glasomtrek.

Ramen en deuren
De luchtdoorlatendheid van ramen en deuren wordt bepaald met behulp van een beproeving in een proefkast overeenkomstig NEN-EN 1026. Daarbij wordt de luchtdoorlatendheid in m3/h gemeten bij drukverschillen van 50, 100, 150, 200, 250, 300, 450 en 600 Pascal. Op basis van die gegevens kan door extrapolatie de luchtlekkage bij 10 Pa bepaald worden. Voor ramen en deuren gelden de volgende prestatie-eisen bij een drukverschil van 10 Pa:

  • Max. luchtlekkage van naden (rubber en ontmoetingen tussen profielen):
    0,1 m3/h per strekkende meter;
  • Max. luchtlekkage van sluitnaden met een dubbele dichting:
    0,15 m3/h per strekkende meter;
  • Max. luchtlekkage van sluitnaden met een enkele dichting:
    0,4 m3/h per strekkende meter;
  • Max. luchtlekkage van borstelafdichtingen tussen schuivende delen:
    1,0 m3/h per strekkende meter.

Vliesgevels
De luchtdoorlatendheid van vliesgevels wordt bepaald met behulp van een beproeving in een proefkast overeenkomstig NEN-EN 12153. Daarbij wordt de luchtdoorlatendheid in m3/h gemeten bij drukverschillen van 50, 100, 150, 300, 450 en 600 Pascal. Op basis van die gegevens kan door extrapolatie de luchtlekkage bij 10 Pa bepaald worden.

Voor vliesgevels geldt hetzelfde als voor ramen en deuren met dien verstande, dat sluitnaden en borstelafdichtingen bij vliesgevels niet voorkomen. Voor vliesgevels geldt de volgende prestatie-eis bij een drukverschil van 10 Pa:

  • Max. luchtlekkage van naden:
    0,1 m3/h per strekkende meter.

Opmerking:
Onder naden wordt verstaan de ontmoeting tussen glas en het (rubber)profiel. De naadlengte bedraagt: 1 x de glasomtrek.

2.2.2 Luchtdoorlatendheid bij de optredende toetsingsdruk

Inleiding
Er gelden voor het bepalen van de luchtdoorlatendheid bij de optredende toetsingsdruk twee eisen. Namelijk een eis per strekkende meter, m1, en een eis per vierkante meter, m2.

Eisen per m1
Om te voorkomen dat bij toetsingsdrukken volgens NEN 2778 een te grote luchtlekkage kan optreden geldt er een absoluut maximum en zijn er bij een beproeving conform NEN-EN 1026 (ramen en deuren) of NEN-EN 12153 (vliesgevels) geen grotere luchtverliezen toelaatbaar dan:

  • 0,5 m3/h per strekkende meter naad;
  • 3,0 m3/h per strekkende meter sluitnaad met een dubbele dichting;
  • 6,0 m3/h per strekkende meter sluitnaad met een enkele dichting;
  • 9,0 m3/h per strekkende meter borsteldichting;
  • Per lengte-eenheid van maximaal 100 mm over de omtrek van een sluitnaad, ter plaatse van scharnieren, is de plaatselijke bijdrage aan de luchtvolumestroom ten hoogste 1,8 m3/h per scharnier.

De minimale toetsingsdruk waarbij deze eisen gelden bedraagt 150 Pa.

Eisen per m2
Naast de eisen aan de luchtverliezen ten gevolge van naden en sluitnaden worden bij een beproeving conform NEN-EN 1026 (ramen en deuren) of NEN-EN 12153 (vliesgevels) de volgende eisen gesteld aan de luchtlekkage van een gevelelement per m2:

2.2.2 tabel-2e_grijze_achtergrond.jpg

De minimale toetsingsdruk waarbij deze eisen gelden bedraagt 150 Pa.

Opmerkingen:
1. Bij gecombineerde gevelelementen worden de eisen van het totale gevelelement bepaald door een beoordeling per vakgrootte plaats te laten vinden en deze vervolgens bij elkaar op te tellen om de totale luchtlekkage van het totale gevelelement te bepalen.
2. Geconcentreerde luchtverliezen zijn mogelijk bij onder andere openstand van glaslatten.

Opmerking:
Bij vliesgevels met te openen delen dient per deel (vaste delen, beweegbare delen) rekening gehouden te worden met de luchtdoorlatendheid zoals in bovenstaande tabel is vermeld.

2.2.3 Bepaling luchtdoorlatendheid in het kader van CE-markering

Ramen en deuren
Door de luchtdoorlatendheid, na beproeving conform NEN-EN 1026, per m1 sluitnaad en m2 oppervlak grafisch weer te geven kan het beproefde gevelelement worden geklasseerd overeenkomstig klasse 1, 2, 3 of 4 van NEN-EN 12207.

Het beproefde element wordt geklasseerd op basis van het oppervlak en de lengte van de sluitnaad.

  • Indien beide in dezelfde klasse vallen: het gevelelement wordt geklasseerd in deze klasse;
  • Indien er 1 klasse verschil is: het gevelelement wordt geklasseerd in de beste klasse;
  • Indien er 2 klassen verschil is: het gevelelement wordt geklasseerd in de tussenliggende klasse;
  • Indien er meer dan 2 klassen verschil is: het gevelelement kan niet geklasseerd worden.


Classificatie luchtdoorlatendheid van ramen en deuren volgens NEN-EN12207

2.2.3 Aluminium_Functionele-Eisen_Luchtdoorlatendheid_Ramen-en-Deuren_Bepaling_Luchtdoorlatendheid.jpg

De tussenliggende waarden die tijdens de test worden gemeten kunnen uit bovenstaand figuur afgelezen worden. Het testobject behoort tot een bepaalde klasse als geen enkel testresultaat de bovenste grenswaarde (dikke lijn) overschrijdt van die bepaalde klasse. Verwacht mag worden, dat ramen en deuren van gangbare afmetingen en voorzien van rubber afdichtingsprofielen (o.a. een middendichting ter plaatse van de sluitnaad) geklasseerd kunnen worden in klasse 3. Voor schuiframen en -deuren voorzien van borsteldichtingen kan uitgegaan worden van klasse 2.

Opmerking: het bovenstaande is niet van toepassing op zogenaamde vaste vakken of vaste beglazing. Er mag van uitgegaan worden, dat de naden in vaste vakken tot een toetsingsdruk van 650 Pa niet meer lucht doorlaten dan 0,5 m3/h per strekkende meter naad.

Vliesgevels
De luchtdoorlatendheid van vliesgevels wordt bepaald met behulp van een beproeving in een proefkast volgens NEN-EN 12153. De resultaten van de beproeving worden geclassificeerd volgens NEN-EN 12152. De classificatie (onderstaande tabel) is gebaseerd op de luchtdoorlatendheid gerelateerd aan het oppervlak (m3/h·m2) en op de naadlengte (m3/h· m1). In de tabel wordt per klasse de luchtdoorlatendheid aangegeven die op mag treden bij de bij die klasse behorende maximale testdruk.

Classificatie luchtdoorlatendheid van vliesgevels volgens NEN-EN12152

2.2.3 Aluminium_Functionele-Eisen_Luchtdoorlatendheid_Vliesgevels_Classificatie.jpg

Verdeling van Nederland in drie windsnelheidsgebieden volgens figuur NB.1 uit NEN-EN 1991-1-4 (NB)

2.2.3 Aluminium_Functionele-Eisen_Luchtdoorlatendheid_Vliesgevels_WindsnelheidsgebiedenNL.jpg

Mogelijke locaties met terreincategorie 0 (kust) volgens figuur NB.4 uit NEN-EN 1991-1-4

2.2.3 Aluminium_Functionele-Eisen_Luchtdoorlatendheid_Vliesgevels_WindsnelheidsgebiedenKust.jpg

Toetsingsdruk in Pa volgens tabel 2 van NEN 2778

2.2.3 Aluminium_Functionele-Eisen_Luchtdoorlatendheid_Vliesgevels_Toetsingsdruk.jpg

2.3 Waterdichtheid

De constructie van VMRG gevelelementen dient zodanig te zijn, dat het zich in de sponning bevindende water niet zodanig kan spatten dat delen nat zouden worden die droog moeten blijven en dat een gecontroleerde afvoer gegarandeerd wordt.

1.1 Hoogbouw.jpg

Voor gebouwen met een hoogte van meer dan 150 meter geldt als minimum een toetsingsdruk van 750 Pa. De opdrachtgever wordt aanbevolen om voor productie de gevelelementen te onderwerpen aan een test zoals op de wind- en waterdichtheid. Daarbij is het aan te bevelen ook de bouwkundige aansluitingen te testen.

2.3.1 Ramen en deuren

De waterdichtheid van ramen en deuren wordt bepaald met behulp van een beproeving in een proefkast volgens NEN-EN 1027. Tijdens de beproeving wordt er een drukverschil onder waterbelasting over het gevelelement aangebracht, oplopend van 0, 50, 100, 150 enz. Pa. Voor de klasse-indeling wordt gekeken naar de waarde van de toetsingsdruk voorafgaand aan de toetsingsdruk waarbij lekkage optreedt. De resultaten van de beproeving worden geclassificeerd volgens NEN-EN 12208 (tabel Classificatie).

Classificatie waterdichtheid van ramen en deuren volgens NEN-EN 12208

2.3.1 Aluminium_Functionele-Eisen_Waterdichtheid_Ramen-en-Deuren.jpg

2.3.2 Vliesgevels

De waterdichtheid van vliesgevels wordt bepaald met behulp van een beproeving in een proefkast volgens NEN-EN 12155. Tijdens de beproeving wordt er een drukverschil onder waterbelasting over het gevelelement aangebracht, oplopend van 0, 50, 100, 150 enz. Pa. Voor de klasse-indeling wordt gekeken naar de waarde van de toetsingsdruk voorafgaand aan de toetsingsdruk waarbij lekkage optreedt. De resultaten van de beproeving worden geclassificeerd volgens NEN-EN 12154 (tabel Classificatie).

Classificatie waterdichtheid van vliesgevels volgens NEN-EN 12154

2.3.2 Aluminium_Functionele-Eisen_Waterdichtheid_Vliesgevels.jpg

Genoemde testmethoden kunnen ook gebruikt worden voor het bepalen van de waterdichtheid van gevelelementen anders dan ramen, deuren en vliesgevels.

2.3.3 Toepassingsgebied

Na de vaststelling van de klasse met betrekking tot de waterdichtheid kan met behulp van tabel 2 van NEN 2778 vastgesteld worden tot op welke hoogte het gevelelement toegepast mag worden in de drie verschillende windsnelheidsgebieden. Voor indeling in windsnelheidsgebieden en het bepalen van mogelijke kustlocaties, zie figuur NB.1 en NB.4 uit NEN-EN 1991-1-4(NB) (zie onderdeel Luchtdoorlatendheid).

De minimale toetsingsdruk waarbij VMRG gevelelementen waterdicht dienen te zijn, bedraagt 150 Pa.

2.4 Thermische isolatie

Een belangrijke reductie van warmteverliezen wordt verkregen door het toepassen van geïsoleerde profielen, isolatieglas, isolerende panelen enz. Desalniettemin kan er toch condens op deze bouwdelen optreden. Dit is afhankelijk van de oppervlakte­temperatuur, luchtvochtigheid e.d. Zie Condensvorming.

Het Bouwbesluit stelt dat een uitwendige scheidingsconstructie overeenkomstig NEN 1068, ten minste een Rc-waarde moet hebben van 4,5 m2.K/W. Deze eis geldt niet voor een deur, raam, kozijn en een daarmee gelijk te stellen gevelelement. Hiervoor geldt de eis in het Bouwbesluit dat per 1 januari 2015 de warmtedoorgangscoëfficiënt (U-waarde) bepaald volgens NEN 1068 ten hoogste 2,2 W/(m2.K) is met een gemiddelde U-waarde van alle ramen, deuren en dergelijke in het bouwwerk van maximaal 1,65 W/(m2.K).

"Een uitwendige scheidingsconstructie zijnde een paneel voldoet aan de Rc-waarde als achter het paneel zich nog een bouwkundige constructie bevindt. Dit paneel maakt dan geen deel uit van de berekening van de u-waarde van het overige geveldeel. Is deze bouwkundige constructie achter het paneel niet aanwezig dan gedraagt het paneel zich als onderdeel van de gevel en wordt de warmtedoorgangscoëfficiënt (U-waarde) bepaald volgens NEN 1068.
Of
(tekst uit Bouwbesluit)
Ramen, deuren en kozijnen gelijk te stellen constructieonderdelen moeten wel ieder afzonderlijk een U-waarde van ten hoogste 2,2 W/(m².K) hebben. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om in kozijnen opgenomen borstweringen (panelen) of de zijwangen van een dakkapel."

De warmtedoorgangscoëfficiënt van een raam of deur is afhankelijk van het type profiel en het type glas inclusief de randverbinding van het glas. De warmtedoorgangscoëfficiënt van metalen raam- en deurprofielen is vooral afhankelijk van de soort en afmeting van de isolator (koudebrugonderbreking) (zie grafiek Isolatiewaarde).

Isolatiewaarde in relatie tot dikte isolator

2.4 Aluminium_Functionele-Eisen_Waterdichtheid_Isolatiewaarden.jpg

De kleinste afstand tussen de beide metalen profieldelen (d) in mm, mag niet kleiner zijn dan de waarde die uit de lijn in de figuur kan worden afgeleid. Voor kleinere afstanden dient door beproeving te worden aangetoond dat het profiel voldoet.

Gearceerd gebied: vanuit talrijke praktijkmetingen verkregen bandbreedte welke de U-waarde geeft van thermisch onderbroken metalen kozijnprofielen.

In NEN 1068 worden berekeningsmethoden aangegeven om de U-waarde van raam of deur vast te stellen. Hierin moet voor het geprojecteerde oppervlakte van het raam worden uitgegaan van het buitenaanzicht.

De isolatiewaarde (U-waarde) van VMRG gevelelementen is afhankelijk van de gebruikte isolator in het aluminium profiel. Iedere VMRG gevelbouwer kan aangeven wat de U-waarde van een specifiek gekozen profiel is. Hoe lager de U-waarde van een profiel, hoe beter het profiel isoleert. Moderne aluminium profielen hebben een U-waarde van 2,6 W/(m2.K) of lager. Er zijn momenteel aluminium profielen beschikbaar met een U-waarde van 1,0 W/(m2.K) of lager. De totale U-waarde van een VMRG gevelelement is daarnaast afhankelijk van het type beglazing en/of panelen. Tegenwoordig wordt meestal HR++ beglazing met een U-waarde van 1,1 W/(m2.K) toegepast.

De isolatiewaarde (U-waarde) van VMRG gevelelementen is afhankelijk van de gebruikte isolator in het stalen profiel. Iedere VMRG gevelbouwer kan aangeven wat de U-waarde van een specifiek gekozen profiel is. Hoe lager de U-waarde van een profiel, hoe beter het profiel isoleert. Moderne stalen profielen hebben een U-waarde van 2,6 W/(m2.K) of lager. De totale U-waarde van een VMRG gevelelement is daarnaast afhankelijk van het type beglazing en/of panelen. Tegenwoordig wordt meestal HR++ beglazing met een U-waarde van 1,1 W/(m2.K) toegepast.

Bij de reële aanname dat het metalen kozijnoppervlak 20% van het totale oppervlak van een kozijn, raam, deur, pui, vliesgevel, glasdak of serre bedraagt, kan voor het opzoeken van de totale U-waarde van een VMRG gevelelement onderstaande tabel (U-waarde VMRG gevelelement) worden gebruikt. Indien deze gegevens voor een EPC-berekening benodigd zijn en er nog geen specifiek metalen profiel, glas en/of panelen gekozen is, kan worden uitgegaan van de genoemde uitgangspunten en tabel U-waarde VMRG gevelelement. Voor het bepalen van de specifieke U-waarde van een VMRG gevelelement kan een berekening gemaakt worden. Indien een thermisch verbeterde glasrandverbinding wordt toegepast kan worden uitgegaan van de waarden in tabel U-waarde VMRG gevelelement met thermisch verbeterde glasrandverbinding. Voor de psi-waarde van de thermisch verbeterde glasrandverbinding wordt meestal 0,08 aangehouden. Voor een juiste indicatie van de psi-waarden voor de glasrandverbinding zie NEN-EN-ISO 10077-1, tabel E.1 en E.2.

U-waarde VMRG gevelelement

2.4 Aluminium_Functionele-Eisen_Thermische-isolatie_U-waarde_VMRG-Element.jpg

U-waarde VMRG gevelelement met thermisch verbeterde glasrandverbinding

2.4 Aluminium_Functionele-Eisen_Thermische-isolatie_U-waarde_VMRG-Element_Glasrand.jpg

2.4.1 Temperatuurfactor panelen

Er worden aan panelen opgenomen in ramen en deuren nadere eisen gesteld aan de temperatuurfactor fri, zulks als omschreven in en te bepalen volgens NEN 2778. Voor panelen in woongebouwen geldt een minimale temperatuurfactor fri = 0,65 (Rc > 0,42 m2.K/W); voor niet voor bewoning bestemde gebouwen geldt een minimale temperatuurfactor fri = 0,50 (Rc > 0,21 m2K/W).

Door de opdrachtgever kunnen hogere eisen worden gesteld, zodat aan specifieke wensen voldaan kan worden.

2.4.2 Condensvorming

Afhankelijk van de relatieve vochtigheid in een ruimte en de oppervlakte-temperatuur van de metalen profielen van de gevelelementen kan condensvorming optreden. Om condensvorming tegen te gaan is het van belang dat aan de binnenzijde de oppervlaktetemperatuur van de metalen profielen zo hoog mogelijk is. Daarnaast is het belangrijk om voldoende te ventileren om de relatieve vochtigheid laag te houden. De oppervlaktetemperatuur is weer afhankelijk van de buitentemperatuur en de warmtegeleiding door het profiel. De warmtegeleiding kan beperkt worden door geïsoleerde profielen toe te passen. Bij gegeven binnen- en buitentemperatuur ontstaat de hoogste oppervlaktetemperatuur aan de binnenzijde van het profiel indien het grootste oppervlak naar binnen is gekeerd en dus het kleinste oppervlak naar buiten. Opgemerkt moet worden dat in die situatie ten gevolge van het grotere temperatuurverschil tussen het binnen- en buitenoppervlak de warmtestroom groter kan zijn.

2.4.3 Infrarood thermografie√ęn

Tegenwoordig worden in de praktijk steeds vaker infrarood thermografieën (IR-foto’s) gebruikt om warmtelekken van gevels te beoordelen. Deze methode is echter een kwalitatieve testmethode voor het opsporen van temperatuurverschillen in de gebouwschil. Deze methode dient niet om de isolatiewaarde of de luchtdichtheid van een gevel of bouwwerk te bepalen. Hiervoor zijn andere onderzoeksmethoden noodzakelijk.

2.5 Geluidwering

De werkelijke geluidwering van een gevelelement kan alleen zuiver worden vastgesteld door meting. In het ontwerpstadium is de mate van de te verwachten geluidwering uitsluitend door berekening te bepalen.

Bij de verschillende geveltypen uit Aanduidingen op tekeningen gelden voornamelijk de volgende aandachtspunten met betrekking tot geluidsoverdracht:

1. Vliesgevel: 
   - Geluidwering buiten - binnen;
   - Geluidtransport via stijlen (contact- en luchtgeluid);
   - Geluidtransport via regels (contact- en luchtgeluid);
   - Aansluiting tussen gevel en plafond (luchtgeluid);
   - Aansluiting tussen gevel en wand (luchtgeluid).

2. Horizontale raamstrook:
   - Geluidwering buiten - binnen;
   - Geluidtransport via regels (contact- en luchtgeluid);
   - Aansluiting tussen gevel en wand (luchtgeluid).

3. Verticale raamstrook:
   - Geluidwering buiten - binnen;
   - Geluidtransport via stijlen (contact- en luchtgeluid);
   - Aansluiting tussen gevel en plafond (luchtgeluid).

4. Pui:
   - Geluidwering buiten - binnen.

Buitengevels:
Gevelelementen in de buitengevel leveren al snel een geluidswering van 26 dB(A), mits de beweegbare delen rondom aansluiten tegen een dichtingsrubber. Omdat bij deuren meestal de onderzijde niet afgedicht wordt, is deze geluidwering bij deuren meestal niet te bereiken. Daar zal de geluidwering ca. 20 dB(A) zijn.

Het Bouwbesluit stelt als eis dat een uitwendige scheidingsconstructie in gesloten toestand een geluidwering van minimaal 20 dB(A) op moet leveren. Afhankelijk van de geluidsbelasting en de soort binnenruimte kan deze eis hoger liggen. Dus om aan de eisen van het Bouwbesluit te kunnen voldoen dient de opdrachtgever de VMRG gevelbouwer nauwkeurig te informeren over de eisen t.a.v. de geluidwering van het te leveren gevelelement.

Een VMRG gevelelement, mits voorzien van een rondomlopend kader en zonder ventilatierooster(s) e.d., heeft in gesloten toestand een geluidwering van minimaal 23 dB(A).

Bij VMRG gevelelementen met uitstekende delen, zoals waterslagen of lightshelves, dient extra aandacht besteed te worden aan contactgeluidisolatie. Indien gekozen wordt voor een oplossing met antidreunfolie dient bij horizontale delen voor een goede werking ca. 2/3 van het oppervlak bedekt te zijn.

Er kunnen hinderlijke windgeluiden ontstaan door het toepassen van bijvoorbeeld roosters, scherpe hoeken en holle profielen in gevelelementen. Dit is door de VMRG gevelbouwer niet te voorzien. Indien deze vorm van geluidhinder optreedt, dient achteraf beoordeeld te worden hoe dit door de opdrachtgever verholpen kan worden.

2.5.1 Bepaling geluidwering

De werkelijke geluidwering van een gevelelement kan alleen zuiver worden vastgesteld door meting. In het ontwerpstadium is de mate van de te verwachten geluidwering echter uitsluitend door berekening te bepalen.

In het kader van CE-markering voor ramen en deuren geeft Bijlage B van de zg. Productnorm NEN-EN 14351-1 voor ramen en buitendeuren hiervoor een goede en eenvoudige mogelijkheid.

Uitgangspunten voor het mogen/kunnen toepassen van voornoemde Bijlage B met bijbehorende tabellen (zie onderstaand) zijn:

De tabellen zijn alleen van toepassing bij gebruik van isolerende beglazing. De geluidwerende eigenschappen uitgedrukt in Rw(C;Ctr) van het isolerende dubbelglas dienen bekend te zijn. Hierin is Rw de globale geluidwering tegen luchtverkeerslawaai van het isolerende dubbelglas, terwijl C en Ctr correctiefactoren zijn voor geluid met relatief hoge frequenties (bijv. snelwegverkeer en treinverkeer) resp. voor geluid met relatief lage frequenties (bijv. stadsverkeer). Zo heeft isolerend dubbelglas 6-12-8 een geluidsisolatie Rw(C;Ctr) van 35(-2; -5)dB ofwel 33 dB, namelijk 35-2 tegen hoogfrequent geluid en 30 dB, namelijk 35-5 tegen laagfrequent geluid. De geluidwerende eigenschappen kunnen overeenkomstig NEN-EN-ISO 10140-1 t/m -5 in een laboratorium worden gemeten. Het proefstuk waarop de metingen dienen plaats te vinden heeft een afmeting van 1,23 x 1,48 = 1,82 m2.

Rw van een raam, bepaald uit Rw van de isolerende beglazing

2.5.1 Aluminium_Functionele-Eisen_Geluidwering_Rw_Raam.jpg

Rw+Ctr van een raam, bepaald uit Rw+Ctr van de isolerende beglazing

2.5.1 Aluminium_Functionele-Eisen_Geluidwering_Rw_Rc_Raam.jpg

Legenda bovenstaande figuren:
a) Beproeving volgens NEN-EN-ISO 10140-1 t/m -5 of gegevens volgens EN 12758 of EN 12354-3.
b) Vaste en of te openen ramen die voldoen aan ten minste luchtdoorlatendheidsklasse 3 (Klasse 3 van NEN-EN 12207 t.b.v. CE-markering).
c) Schuiframen die voldoen aan ten minste luchtdoorlatendheidsklasse 2 (Klasse 2 van NEN-EN 12207 t.b.v. CE-markering).
d) Aantal dichtingen voor ramen, die geopend kunnen worden.

Bepaling van de geluidsisolatie Rw (C; Ctr) van een raam op basis van bekende geluidwerende eigenschappen van het isolerende dubbelglas in het raam:

  1. Rw van het raam kan bepaald worden uit de bekende waarde van Rw van het isolerende dubbelglas; zie tabel Rw van een raam.
  2. Rw + Ctr van het raam kan bepaald worden uit de bekende waarde van Rw + Ctr van het isolerende dubbelglas; zie tabel Rw + Ctr van een raam.
  3. De waarde van C van het raam bedraagt in alle gevallen -1 dB.
  4. Ctr is nu eenvoudig te berekenen door de waarde Rw van het raam af te trekken van de waarde Rw + Ctr van het raam.

De waarde van Rw + Ctr van het isolerende dubbelglas als weergegeven in tabel Rw + Ctr van een raam is normaliter overeenkomstig NEN-EN-ISO 10140-1 t/m -5 gebaseerd op een glasafmeting van 1,23 x 1,48 = 1,82 m2. Bij toepassing van isolerend dubbelglas in ramen van andere afmetingen kan gebruik worden gemaakt van tabel B.3. Uit deze gegevens blijkt, dat de geluidsisolatie van een raam afneemt naarmate de afmeting van het raam toeneemt.

Extrapolatieregels voor verschillende raamafmetingen

2.5.1 Aluminium_Functionele-Eisen_Geluidwering_Extrapolatieregels.jpg

Voorbeeld: Bereken de geluidsisolatie Rw(C;Ctr) van een draaivalraam met enkele dichting. Het draaivalraam heeft een afmeting van 1250 x 1600 mm (= 2,0 m2) en is voorzien van isolerend dubbelglas met een geluidisolatie van Rw(C;Ctr) = 30 (-1; -4).

Met een Rw van het isolerende dubbelglas van 30 dB bedraagt overeenkomstig tabel Rw van een raam de geluidsisolatie van het draaivalraam: 33 dB. Met een Ctr van -4 dB van het isolerende dubbelglas bedraagt de waarde van Rw + Ctr van het isolerende dubbelglas derhalve 26 dB. De bijbehorende waarde van Rw + Ctr van het draaivalraam overeenkomstig tabel Rw + Ctr van een raam bedraagt 28 dB. Dit betekent, dat Ctr van het draaivalraam -5 dB bedraagt, namelijk 28 dB - 33 dB. Met een standaard waarde van C = -1 voor het draaivalraam bedraagt de geluidsisolatie Rw(C;Ctr) van het draaivalraam 33 dB (-1; -5).

Opmerking: correctie in verband met de oppervlakte is niet noodzakelijk. De oppervlakte bedraagt namelijk 2,0 m2 ofwel < 2,7 m2; zie ook tabel Extrapolatieregels voor verschillende raamafmetingen.

2.6 Winkelpuien, entreepartijen en ­trafodeuren

Voor winkelpuien en entreepartijen worden veelal hardglazen deuren, (automatische) schuifdeuren/vouwwanden, tourniquets en schuifwanden toegepast. Door de aard van dergelijke constructies is het veelal niet zonder bijzondere voorzieningen mogelijk de sluitnaden zodanig uit te voeren, dat voldaan kan worden aan de normale luchtdoorlatendheid- en waterdichtheidseisen als vermeld in de onderdelen Luchtdoorlatendheid en Waterdichtheid.

Bij toepassing van dergelijke constructies dient het onderstaande in acht te worden genomen:

  • In gesloten stand mogen kieren niet groter zijn dan 10 mm;
  • Door de opdrachtgever dienen aanvullende bouwkundige voorzieningen getroffen te worden in verband met de eis uit het Bouwbesluit “wering van vocht van buiten”.


Bouwkundige voorzieningen kunnen zijn het aanbrengen van:

  • Een luifelconstructie van voldoende grootte, zodat regenwater onder een hoek van 45° het beweegbare deel niet kan raken en stuwing van water wordt tegengegaan;
  • Een tochtportaal;
  • Een gootconstructie in de vloer, zodat eventueel naar binnen dringend regenwater effectief afgevoerd kan worden;
  • Tochtborstels.


Stuwing van water kan worden tegengegaan door installatietechnische maatregelen te treffen, bijvoorbeeld door het creëren van permanente overdruk in de binnenruimte.

Aan deuren in bijzondere toepassingen, zoals trafodeuren, vluchtdeuren in tunnels, archiefdeuren e.d., kunnen met betrekking tot de luchtdoorlatendheid en waterdichtheid, door de opdrachtgever afwijkende en/of aanvullende eisen gesteld worden.

2.7 Vliesgevels en serres

De diverse geveltypen kunnen worden onderscheiden naar de wijze van constructie en naar de wijze van functioneren. Men spreekt van stijl- en regelgevel, componentengevel, warmespouw gevel, koudespouw gevel, klimaatgevel, tweedehuid gevel, reactieve gevel enz. Alhoewel specifieke gevelconstructies met betrekking tot ontwerp en uitvoering hun eigen specifieke problemen met zich meebrengen, kan gesteld worden:

De in deze VMRG Kwaliteitseisen en Adviezen® gestelde eisen zijn onverkort van toepassing op vliesgevels, glasdaken en serres.

Nadere informatie is te vinden in VMRG publicatie “Gevels en Architectuur”, ISBN: 90.9009266.8.

2.8 Schuine glasgevels en glasdaken

Bij het ontwerpen, fabriceren, monteren en gebruiken van glasdaken en schuine glasgevels moet rekening worden gehouden met een aantal factoren die bij verticaal geplaatste gevels een andere rol spelen. Die factoren hebben betrekking op o.a.:

  • De constructieve veiligheid;
  • De brandveiligheid;
  • De waterhuishouding;
  • De licht- en zontoetreding;
  • De thermische isolatie;
  • De beglazing;
  • De bereikbaarheid (montage/technisch onderhoud/reiniging);
  • Condensafvoer.
     

2.9 Ventilatie

Veelal wordt de toevoer van de noodzakelijke verse buitenlucht in utiliteitsgebouwen verzorgd door het ventilatiesysteem dat deel uitmaakt van het verwarmingssysteem. In woningen daarentegen ontbreekt meestal een actief ventilatiesysteem. De ventilatie moet dan tot stand worden gebracht door openingen in de buitengevel, zoals roosters en uitzetramen.

De benodigde ventilatie moet worden bepaald volgens NEN 1087 en voldoen aan de eisen zoals gesteld in het Bouwbesluit.

De eisen die aan ventilatie worden gesteld hebben o.a. betrekking op:

  • De ventilatiecapaciteit, ofwel de hoeveelheid buitenlucht die toetreedt bij een drukverschil van 1 Pa;
  • De geluiddemping in geopende stand;
  • De regelbaarheid;
  • De luchtdichtheid in gesloten stand;
  • De mogelijkheid tot schoonmaken van binnen uit.


Voorts dient de ventilatievoorziening waterdicht te zijn tot een toetsingsdruk overeenkomstig NEN 2778 in gesloten stand.

De luchtsnelheid van de toegetreden buitenlucht dient bij een luchtdrukverschil van 10 Pa lager te zijn dan 0,20 m/s op een afstand van 1 m van de gevel. Ventilatievoorzieningen geplaatst boven 1,8 m vloerhoogte worden geacht hieraan te voldoen. Deze eis heeft te maken met comfort.

Aangezien de VMRG gevelbouwer onvoldoende inzicht heeft in de geluidsbelasting op de gevel (bepalend voor de vereiste mate van geluiddemping van het rooster) en de grootte van het verblijfsgebied (bepalend voor de mate van de ventilatiecapaciteit) dient de opdrachtgever de vereiste geluiddemping en de ventilatiecapaciteit bij de aanvraag op te geven.

Nadat alle eisen bekend zijn waaraan het ventilatierooster dient te voldoen, is selectie van het juiste rooster te bepalen aan de hand van de KOMO kwaliteitsverklaringen op basis van BRL 5701. In deze KOMO kwaliteitsverklaringen van de fabrikanten van ventilatieroosters wordt namelijk een opgave verstrekt van de prestaties, die de diverse typen en uitvoeringen leveren.

1.1 Hoogbouw.jpg

Bij het toepassen van ventilatieroosters dient rekening gehouden te worden met hoge windsnelheden.

2.10 Bediening van sluitwerk

Om de bedieningskrachten van ramen en deuren te bepalen dienen testen uitgevoerd te worden conform NEN-EN 12046-1 (ramen) en NEN-EN 12046-2 (deuren). De resultaten uit de testen kunnen geclassificeerd worden volgens NEN-EN 13115 (ramen) of NEN-EN 12217 (deuren).

In onderstaande tabellen is de wijze van classificeren weergegeven. Genoemde klassen worden op het CE-document weergegeven.

VMRG gevelelementen dienen minimaal te voldoen aan klasse 1 volgens EN 13115 voor ramen en klasse 1 volgens EN 12217 voor deuren.

Schuifdeuren mogen voldoen aan klasse 0, met een maximale bedieningskracht van 150N.

Classificatie van ramen volgens NEN-EN 13115

2.10 Aluminium_Functionele-Eisen_Ventilatie_Classificatie-Ramen.jpg

Classificatie van deuren volgens NEN-EN 12217

2.10 Aluminium_Functionele-Eisen_Ventilatie_Classificatie-Deuren.jpg

1.1 Hoogbouw.jpg

Voor gebouwen met een hoogte van meer dan 150 meter geldt als minimum een toetsingsdruk van 750 Pa. De opdrachtgever wordt aanbevolen om voor productie de gevelelementen te onderwerpen aan een test zoals op de wind- en waterdichtheid. Daarbij is het aan te bevelen ook de bouwkundige aansluitingen te testen.

2.11 Elektromagnetisch spectrum

Gebouwen kunnen door hun vorm en/of afmetingen radarsignalen verstoren. Bij het ontwerp van het gebouw dient door de opdrachtgever daar rekening mee te worden gehouden. Dit kan gevolgen hebben voor bijvoorbeeld de positie van de gevel, de gevelbeplating of het glas. Voorbeelden van locaties waar het bovenstaande kan optreden zijn:

  • Bouwlocatie nabij een vliegveld;
  • Bouwlocatie nabij een zendmast.


Daarnaast dient te worden opgemerkt dat moderne gevels dermate hoog isolerend kunnen zijn dat zij ook radiosignalen (bijvoorbeeld voor het gebruik van mobiele telefonie) niet meer doorlaten. Dit verschijnsel kan zich voornamelijk voordoen bij het gebruik van meervoudig glas in de gevel, al dan niet in combinatie met metaalcoating.